Posts tonen met het label islam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label islam. Alle posts tonen

donderdag, juni 14, 2012

De verbreiding van de monotheïstische religies.

De kenmerken van monotheïstische religies.

Een cultureel fenomeen kan op den duur niet voortbestaan als het geen nut heeft voor althans een deel van de samenleving. Dit geldt ook voor religie. Geloof heeft dan ook een aantal functies.

(1) Religie biedt zingeving. De meeste mensen vragen zich wel eens af waarvoor ze op aarde zijn en religie geeft een antwoord op deze levensvraag.
(2) Religie biedt troost. Voor de meeste mensen is de gedachte dat het aardse bestaan het enige leven is dat men ooit zal hebben een onverdraaglijk perspectief, vooral als dat aardse bestaan weinig vreugde heeft gebracht. Religie belooft de ‘zondenlozen’ eeuwige zaligheid. Even onverdraaglijk is de wetenschap dat talloze schurken op aarde hun gerechte straf ontlopen. Velen vinden het een geruststellende gedachte dat ze brandstof zullen leveren voor het hellevuur.
(3) Religie biedt een moreel kader. De meeste mensen zijn van nature niet tot het goede geneigd, maar de gedachte dat een alwetende god hun daden weegt en hen naar de krochten van de hel kan verbannen houdt hen in het gareel. Religie heeft in het verleden dan ook op bepaalde terreinen onmiskenbaar een civiliserende invloed gehad. [Zo maakte het christendom een einde aan de orgie van mensenoffers van de Azteken.]
(4) Last but not least, religie biedt een verklaring voor fenomenen waarover nog geen (wetenschappelijk) uitsluitsel bestaat. Hoe meer de wetenschap voortschrijdt, des te minder is er behoefte aan een alternatieve explicatie voor onbegrepen verschijnselen.

De menselijke geschiedenis kent dan ook een natuurlijke progressie van animisme, via polytheïsme en monotheïsme naar atheïsme.

In het Westen, waar de ontwikkeling van de wetenschap het sterkst is en waar door de toegenomen welvaart het aardse leven voor de meeste mensen nog zo slecht niet is, wint het atheïsme steeds meer terrein. Wereldwijd is het monotheïsme echter nog altijd dominant, zoals dat gedurende het grootste deel van de afgelopen twee millennia het geval is geweest. Van de ruim 6 miljard wereldburgers is ca. 2,1 miljard christen (waarvan 2/3 katholiek), ca. 1,5 miljard moslim en minder dan 15 miljoen jood. Het aantal polytheïstische hindoes nadert de 0,9 miljard en de rest van de wereldbevolking is verdeeld over de oosterse religies (meer levensfilosofieën dan godsdiensten) en de meestal polytheïstische locale religies.

Er konden pas monotheïstische godsdiensten ontstaan toen de tijdgeest daar rijp voor was. Het vroege monotheïstische experiment van de Egyptische farao Achnaton (ca. 1368-1336 v. Chr.), die verordonneerde dat de Egyptenaren alleen de zonnegod Aton mochten aanbidden, liep spaak op het verbitterde verzet van de priesterklasse, die een financiële aderlating vreesde, en de bevolking, die zich van haar zekerheden beroofd voelde. Pas rond 500 v. Chr. wist het jodendom zich van de laatste polytheïstische restanten te bevrijden.

De huidige monotheïstische religies stammen niet alleen uit dezelfde regio (het Midden-Oosten), maar zijn ook uit elkaar ontstaan. Het christendom was slechts een obscure joodse sekte, tot de apostel Paulus in een vlaag van genialiteit besloot dat het voor volwassen mannelijke bekeerlingen niet langer nodig was zich te laten besnijden -wat het volgen van Jezus een stuk minder bezwaarlijk maakte. De islam kwam vermoedelijk voort uit een Syrische sekte van christelijke dissidenten die de goddelijkheid van Jezus ontkenden.

Een nieuwe religie kan zonder dwang alleen aanslaan als deze aansluit bij de cultuur en mentaliteit van het te bekeren volk. Zo is het geen toeval dat het protestantisme vooral succes boekte bij de sobere, sombere en slovende Noord-Europeanen en behoefden de rovende ruitervolken van Centraal-Azië weinig aansporing om de islam te omarmen.

Heeft een religie eenmaal vaste voet aan de grond gekregen, dan beïnvloedt zij echter in hoge mate de cultuur en mentaliteit van haar aanhangers. Het fatalisme dat inherent is aan de islam heeft een funeste invloed gehad in alle gebieden waar deze godsdienst domineert, terwijl de christelijke schuldcomplexen het Westen tot een gewillig slachtoffer van gekleurde welvaartsprofiteurs hebben gemaakt.

Als men de zgn. Abrahamitische godsdiensten karakteriseert, wordt al snel duidelijk dat er een veel grotere overeenkomst bestaat tussen het jodendom en de islam dan tussen een van beide en het christendom. Het jodendom kan men omschrijven als masculien, gedomineerd door wetten, intellectualistisch en niet gericht op bekering. Het christendom, daarentegen, is feminien, gedomineerd door het geweten, intellectualistisch en gericht op bekering. De islam is te karakteriseren als masculien, gedomineerd door wetten, simplistisch en sterk gericht op bekering.

Het feminiene aspect van het christendom uit zich in de eerste plaats in de geloofsleer. Christelijke basiswaarden als naastenliefde (hebt uw vijanden lief), geweldloosheid (keer de andere wang toe) en vergeving zijn typisch vrouwelijke waarden. Ook in de praktijk is de vrouwelijke inslag merkbaar. Hoewel de christelijke geloofsleiders evenals hun joodse en mohammedaanse collega’s voor het overgrote deel van het mannelijke geslacht zijn, worden de kerken voornamelijk bevolkt door vrouwen, terwijl de synagogen en moskeeën vol zitten met mannen.

Het intellectualistische aspect van het geloof is vooral manifest in het jodendom, waar de bestudering van religieuze teksten als de meest prestigieuze opgave van de man wordt gezien. Het christendom is intellectualistisch in de zin dat sommige dogma’s en kernbegrippen (zoals de Heilige Drievuldigheid en transsubstantiatie) voor de leek nogal moeilijk te vatten zijn, waardoor men de bemiddeling van geestelijken nodig heeft voor het onderhouden van de relatie met het opperwezen. De intellectuele onderbouwing van het christendom was vooral de verdienste van het Oost-Romeinse (later Byzantijnse) Rijk, waar niet allen de geestelijkheid maar ook de ‘man in de straat’ dol was op theologische discussies. De hiërarchische organisatie van de (katholieke) kerk was vooral het product van de West-Romeinse mentaliteit.


De verbreiding van het jodendom.

Joden zijn uniek door het feit dat ze niet alleen een religieuze, maar ook een etnische groep vormen. Bij de verbreiding van het jodendom gaat het dan ook vooral om de verspreiding van het Joodse volk (de diaspora).

Joden beschouwen zichzelf als het ‘uitverkoren volk’ door de bijzondere band met de schepper en de speciale opdracht ‘een licht voor de naties te zijn’. Aanvankelijk waren er twaalf joodse stammen, bestaande uit de nakomelingen van de twaalf zonen van aartsvader Jacob. Tien daarvan zijn uit de geschiedenisboeken verdwenen nadat het Koninkrijk Israel rond 720 v. Chr. door de Assyriërs was vernietigd.

Alleen iemand die onweerlegbaar tot de etnische groep behoort, is volgens orthodoxe joden een ‘echte jood’. Dat betekent in concreto dat men een joodse moeder dient te hebben. Begrijpelijk, want het is altijd bekend wie de moeder van een kind is en als leden van een onderdrukte en vervolgde minderheid waren joodse vrouwen nogal eens het slachtoffer van verkrachting. De Falasha (zwarte joden van Ethiopië) zijn dan ook een vreemde eend in de bijt: bij hen gaat het jodendom over van vader op zoon. Zij worden door sommigen beschouwd als een van de ‘verloren stammen’, maar zijn waarschijnlijk afstammelingen van vroege bekeerlingen.

Joden streven niet naar het maken van bekeerlingen. Het is mogelijk om het joodse geloof aan te nemen, vooral als men met een joodse partner wil trouwen (de bekende Amerikaanse entertainer Sammy Davis Jr. omschreef zichzelf gekscherend als een “eenogige joodse neger”), maar de geïnteresseerde moet zelf het initiatief nemen. Er is in de latere geschiedenis slechts één massale(?) bekering tot het jodendom bekend, die van de Khazaren aan het eind van de 8e eeuw. De genetische verwantschap tussen joden is dan ook veel groter dan die tussen de aanhangers van andere wereldreligies (een gegeven dat door de Duitse islamcriticus Thilo Sarrazin ietwat onbeholpen maar volkomen terecht werd onderstreept).

In de praktijk telt het etnische aspect van het jodendom vaak zwaarder dan het religieuze aspect. De Nazi’s hadden totaal geen boodschap aan het feit dat sommige Joden zich tot het christendom hadden bekeerd, maar gaven joden met een niet-Joodse ouder wel (tijdelijk) respijt. Tot woede van fundamentalistische joden (die hen als verraders beschouwen) blijven veel bekeerde en seculiere Joden zich als lid van het Joodse volk beschouwen. Sommigen houden zelfs joodse rituelen, zoals het uitspreken van de kaddish bij een begrafenis, in ere. Een prominent voorbeeld was de voormalige aartsbisschop van Parijs, Jean-Marie (voorheen Aaron) Lustiger, die op 14-jarige leeftijd voor het katholicisme koos.

Het feit dat joden niet naar het maken van bekeerlingen streefden kwam hen soms goed van pas. Hoewel de Romeinen veel te stellen hadden met de rebelse joden van Palestina en hen meedogenloos onderdrukten, werden hun geloofsbroeders in Rome zelf nooit vervolgd, in tegenstelling tot de christenen, die als een veel grotere bedreiging voor de sociale orde werden beschouwd. Ook in islamitische landen konden de joden zich vaak beter handhaven –vooral omdat ze vanwege hun geprivilegieerde relatie met het opperwezen een grotere bereidheid hadden offers te brengen voor hun geloof.

Een religie die geen missionaire neigingen heeft en afkerig is van geweld zal altijd klein blijven. Zeker als de gelovigen hardnekkig weigeren hun ‘tegendraadse’ gewoonten op te geven en daarom vaak het doelwit van pogroms worden. Het absolute dieptepunt van de eeuwenlange vervolgingen was de Holocaust. De Joodse wereldbevolking heeft zich nog altijd niet hersteld van deze aderlating (vóór de Tweede Wereldoorlog waren er 18 miljoen Joden, nu minder dan 15 miljoen).

Er wordt vaak betoogd dat de Joden beter floreerden in islamitische dan in christelijke landen. Dat valt te betwijfelen. De Ashkenazische Joden maken tegenwoordig ca. 80% van de gehele Joodse wereldbevolking uit, ondanks het feit dat meer dan 2/3 van hen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd vermoord. De Sephardische Joden (inclusief de Mizrachi en Maghrebi), die (lange tijd) hun basis hadden in islamitische landen, waren dus op zijn minst in demografisch opzicht veel minder succesvol. [Sommige antisemieten claimen, om het historische Joodse recht op vestiging in Israël te ondermijnen, dat de Ashkenazim merendeels afstammen van bekeerde Khazaren. Deze bewering mist echter iedere grond.]


De verbreiding van het christendom.

De volgelingen van Jezus hebben de opdracht de ‘blijde boodschap’ overal te verkondigen. Vooral in de beginperiode van het christendom wijdden ze zich daar met overgave aan. Toch was het christelijke geloof na drie eeuwen van verkondiging nog altijd een randverschijnsel in het Romeinse Rijk. Letterlijk, want de meeste christenen waren te vinden buiten het Romeinse hartland, en figuurlijk, want de meeste bekeerlingen waren intellectuelen (die afknapten op de infantiliteit van de Romeinse goden) en armen (die baat hadden bij de christelijke naastenliefde en de beloofde voorrang bij de hemelvaart).

Christenen werden in deze periode regelmatig vervolgd. Soms om de aandacht af te leiden van interne misstanden (zo gaf keizer Nero hen de schuld van de catastrofale brand die Rome in 64 n. Chr. grotendeels verwoestte –waarvoor velen hém verantwoordelijk hielden- en liet hen als laaiende fakkels zijn tuinfeesten opluisteren); soms omdat hun geheimzinnigheid wantrouwen wekte; soms omdat de Romeinse heersers van mening waren dat christenen de sociale cohesie ondermijnden door hun weigering deel te nemen aan traditionele religieuze rituelen. De laatste grote vervolgingen vonden aan het eind van de 3e en begin van de 4e eeuw plaats, op bevel van de keizers Diocletianus en Galerius.

De doorbraak van het christendom werd ingeluid door de bekering van Constantijn (272-337), een pretendent voor de Romeinse keizerskroon. Hij was de zoon van Constantius Chlorus, een van de vier tetrarchen die het bestuur van het Romeinse Rijk onder zich verdeeld hadden. Hij volgde zijn vader op als caesar (onderkeizer) van het westelijke deel van het rijk (met Trier als basis), maar zijn ambities gingen verder. Hij trok eerst ten strijde tegen zijn grootste rivaal Maxentius, de zoon van Maximianus, de voormalige augustus (opperkeizer) van het Westen, die de macht in Italië had veroverd. Op de vooravond van de beslissende slag zag hij in een visioen het Christusmonogram op de schilden van zijn soldaten en werd hem beloofd dat hij ‘in dit teken’ zou overwinnen. Hij liet zijn soldaten dit monogram op hun schilden aanbrengen en tijdens de Slag bij de Milvische Brug versloeg hij het tweemaal zo grote leger van Maxentius, die op de vlucht in de Tiber viel en verdronk.

Sommigen houden staande dat het christendom toen de officiële godsdienst van het Romeinse Rijk werd, maar zover was het nog lang niet. Samen met zijn zwager, de oostelijke keizer Licinius, vaardigde Constantijn in 313 het Edict van Milaan uit, dat de christenen godsdienstvrijheid gaf, maar zelf wedde hij voorlopig op twee paarden (hij was altijd een vurige aanhanger van Sol Invictus geweest). Hoewel hij zich intensief met de geloofsleer bemoeide (o.a. tijdens het Concilie van Nicaea) en tal van kerken bouwde, liet hij zich pas op zijn sterfbed dopen.

Constantijn had in het Romeinse hartland geen echte machtsbasis en het was daarom in zijn voordeel, zoals bij vele heersers in zijn positie, om voor de handhaving van zijn gezag te steunen op een groep relatieve buitenstaanders die afhankelijk van hem waren. Eerzuchtige Romeinen die een loopbaan in het bestuur of leger ambieerden, hadden al snel in de gaten dat omarming van het christendom voordelig was voor hun carrière en velen bekeerden zich daarom (vaak alleen voor de vorm, maar hun christelijk opgevoede kinderen namen het geloof serieuzer).

Het gedrag van Constantijn was ook na zijn ‘bekering’ weinig voorbeeldig te noemen. Hij liet Licinius en diens zoontje ombrengen om zich meester te maken van zijn troon. Eenzelfde lot trof zijn te populaire oudste nazaat Crispus en zijn tweede vrouw Fausta (een zuster van Maxentius). Na zijn dood werd er (mogelijk op zijn instigatie) een bloedbad aangericht onder zijn resterende mannelijke verwanten om de troonsaanspraken van zijn drie resterende zonen te waarborgen. Deze zonen legden geen enkele christelijke broederliefde aan de dag en twee van hen beleefden slechts kortstondig plezier aan hun erfenis: in 350 bleef Constantius II als enige heerser over. Uiteindelijk kwam de enige neef die de slachtpartij had overleefd, Julianus (later bijgenaamd Apostata), op de troon. Deze walgde van het christendom en trachtte het Romeinse polytheïsme in ere te herstellen. Als hij de tijd van leven had gehad, was het hem misschien nog gelukt ook. In 363 sneuvelde hij echter tegen de Perzen, minder dan twee jaar na zijn troonsbestijging.

Ten langen leste verhief keizer Theodosius I in 380 het ‘trinitaire’ (katholieke) christendom tot de officiële Romeinse staatsgodsdienst. In 392 gaf hij het bijgeloof de genadeslag door de ‘heidense cultus’ te verbieden. Ook konden ‘heidenen’ geen officiële ambten meer bekleden. Veel zal het niet uitgemaakt hebben, want polytheïsten waren er toen al bijna niet meer te vinden.

Hoewel de triomf van het monotheïsme in deze periode in de lucht zat, was het beslist geen uitgemaakte zaak dat het christendom de overhand zou krijgen. De verering van Sol Invictus kreeg onverbloemd monotheïstische trekjes en onder mannen, vooral soldaten, werd de Mithras-cultus steeds belangrijker. De ‘overwinning’ van het christendom was in hoge mate een historisch accident, al zagen de christenen zelf dat natuurlijk anders. Zij vereerden Constantijn en zijn moeder Helena (een marketentster die nooit officieel met zijn vader getrouwd was en die haar nominatie verwierf door het entameren van de Grafkerk in Jeruzalem en het redden van relikwieën) als heiligen.

De bekering van de Romeinen onder Constantijn staat model voor de verbreiding van het christendom in Europa als geheel. Weliswaar waren langs de rafelranden van het vroegere Romeinse Rijk tal van missionarissen actief, die hun overmoed maar al te vaak met de marteldood moesten bekopen (zoals Bonifatius, die in 754 bij Dokkum door de Friezen het graf in werd geholpen), maar de meeste heidense bolwerken vielen als een heerser zich tot het christendom bekeerde (vaak uit politieke overwegingen) en het volk zijn voorbeeld volgde. De bekendste exponent van dit verschijnsel was de Frankische koning Clovis, die zich in 496 katholiek liet dopen om door zijn Gallo-Romeinse onderdanen als soeverein geaccepteerd te worden (de meeste Germaanse heersers waren arianen of heidenen).

Ook in latere tijden was dit mechanisme werkzaam. Gedurende de Reformatie bestreden de katholieken en protestanten van Duitsland elkaar met ongekende felheid, tot tijdens de Rijksdag van Speyer (1526) werd bepaald dat iedere vorst in zijn eigen gebied de geloofszaken mocht regelen. In de praktijk betekende dit dat de onderdanen van protestantse vorsten protestants werden en die van katholieke vorsten katholiek bleven. Gelovigen die daarmee niet konden leven, hadden geen keuze dan te verhuizen. De Engelse koning Henry VIII stichtte in 1533 de Anglicaanse kerk omdat de paus hem de scheiding van zijn echtgenote Catharina van Aragon weigerde. Het merendeel van zijn onderdanen haastte zich de veilige kant te kiezen (die tijdelijk zeer onveilig bleek toen hij werd opgevolgd door zijn vroom katholieke dochter Mary).

Hoewel conformisme een grote rol speelde, wil dit niet zeggen dat geen geweld werd toegepast bij de verbreiding van het christendom in Europa. Toen Karel de Grote na jaren strijd in 804 de obstinate Saksen wist te onderwerpen, hakte hij direct hun heilige eiken om en dwong hij hen op straffe des doods het kruis te aanvaarden. De Teutoonse Ridders voerden in de 13e eeuw een ‘kruistocht’ tegen de Baltische Pruzzen (naamgevers van Pruisen), waarbij de helft van de Pruzzen omkwam of vluchtte. Zij werden vervangen door Duitse kolonisten. Over het algemeen was het christelijke geweld in Europa echter meer gericht tegen ketters dan tegen heidenen, met de vernietiging van de Katharen als meest beruchte voorbeeld.

De Europese kolonisatoren ondernamen geen veroveringstochten om zieltjes te winnen, maar om hun beurzen te spekken. In hun kielzog volgden echter onvermijdelijk de missionarissen. De machthebbers ondersteunden hun activiteiten, omdat ze geloofden dat bekering tot het christendom de inheemsen docieler en arbeidzamer zou maken. Waar de kolonisatoren in contact kwamen met grote geëtableerde religies, zoals het hindoeïsme of de islam, lieten ze de gelovigen meestal met rust, uit angst de handelsrelaties te verstoren.  Hoewel dwang (zoals het vernielen van ‘heidense voorwerpen’) niet werd geschuwd, was er van geweld meestal geen sprake. Veel animisten en polytheïsten stonden best open voor de blijde boodschap, omdat ze ervan overtuigd waren dat het de hulp van de christelijke god was die de veroveraars macht en welvaart verschafte. Ze hoopten door het nabootsen van de (religieuze) rituelen van de blanken ook zelf rijkdom te verwerven.

Paus Benedictus XVI joeg tijdens een bezoek aan Brazilië veel kritische katholieken tegen zich in het harnas door te beweren dat de pre-Columbiaanse Indianen onbewust naar het christendom hadden verlangd. Helemaal ongelijk had hij niet. In Mexico en de Andes leefden honderdduizenden leden van overwonnen stammen onder het juk van de Azteken en Inca’s en liepen een gerede kans de hoofdattractie tijdens een offerritueel te worden. Een symbolisch mensenoffer is nog altijd te prefereren boven de kans dat ook jouw nog kloppende hart uit je borstkas zal worden gerukt om de bloeddorst van de goden te stillen. Bovendien was de overgang niet zo groot als wel eens wordt gedacht: tal van Indiaanse (en later Afrikaanse) goden leefden ondergronds voort, vereerd in de vorm van heiligen. Hoewel de katholieke kerkleiders in theorie fel tegenstander waren van syncretisme, bleken ze in de praktijk meesters in het samensmeden van tradities.

Ontwikkelingswerk is in essentie een christelijke uitvinding. In het begin van de koloniale periode hadden de missionarissen geen probleem met de uitoefening van enige pressie om bekeerlingen te maken. Ze hadden echter al snel in de gaten dat ze daarmee alleen maar weerstand opwekten en dat ze op veel williger oren voor hun boodschap konden rekenen als ze eerst (medische) hulp boden. Geleidelijk werd het zwelgen in naastenliefde belangrijker dan het brengen van een vreugdevolle tijding. Veel latere missionarissen vonden het onkies om het geloof ter sprake te brengen bij zielige medemensen die worstelen om te overleven.

Tegenwoordig klagen Afrikaanse bisschoppen dat ze van hun Europese collega’s overal geld voor kunnen krijgen -behalve voor missionaire activiteiten. Een godsdienst die te schuldbewust en te bescheiden is om ‘reclame’ voor zichzelf te maken, vraagt erom terzijde geschoven te worden. [Islamitische ‘hulpverleners’ hebben aanmerkelijk minder scrupules: na de recente watersnoodramp in Pakistan, bijvoorbeeld, werden door westerse christenen verschafte hulpgoederen uitsluitend doorgegeven aan medemohammedanen.]


De verbreiding van de islam.

Of Mohammed (die geleefd zou hebben van ca. 570 tot 632) überhaupt bestaan heeft, wordt tegenwoordig betwijfeld. Dat de ‘openbaringen’ van de islam op het lijf geschreven zijn van op macht en rijkdom beluste personen als hij, staat echter buiten kijf. De koran is wel eens omschreven als een ‘license to kill’ (en een ‘license to rob, maim and enslave’ kan men daaraan toevoegen). De ‘uitvinders’ van de islam wisten heel goed dat ze hun doeleinden alleen zouden kunnen verwezenlijken als ze de ruziënde stammen van het Arabisch Schiereiland zouden kunnen omsmeden tot een hechte eenheid. Er is geen geschikter middel daartoe dan een gemeenschappelijke ideologie die inspeelt op de laagste menselijke instincten. Voor agressieve godsdienstfanaten (in het Arabisch ghazi’s genoemd) biedt de islam de perfecte combinatie van geloof verbreiden en rijkdom verwerven.

Als laatst ontstane van de Abrahamitische religies kon de islam profiteren van de zwakheden van zijn voorgangers. Uitverkoren zijn om constant door de schepper op de proef gesteld te worden is geen aangenaam lot. Je vijanden liefhebben is een problematisch gebod, omdat het ingaat tegen de menselijke natuur. Het praktiseren van een religie die dit voorschrijft vereist dan ook een aanzienlijke mate van zelfverloochening. Het feit dat je niet veel intellectuele bagage nodig hebt om mohammedaan te zijn (je hoeft je slechts slaafs aan de ‘vijf zuilen’ te houden) is bepaald een voordeel.

Mensen voor de islam winnen is de plicht van iedere muzelman. Als het kan door verkondiging (dawah), als het moet ‘te vuur en te zwaard’ (jihad). ‘Afgodendienaren’ hebben slechts twee keuzes: de islam aanvaarden of gedood worden. De ‘Mensen van het Boek’ (christenen en joden) wordt een uitweg gelaten: ze kunnen voortleven als verachte en gediscrimineerde dhimmi’s. Ze dienen zich dan tegenover moslims onderworpen te gedragen, extra belasting (jizya) te betalen en te accepteren dat ze geen enkel verweer hebben als ze door moslims gemaltraiteerd of van een kapitaal misdrijf (zoals blasfemie) beschuldigd worden.

Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van de islam ging de verbreiding van geloof hand in hand met de verovering van gebied. Tijdens het bewind van Mohammed viel het grootste deel van het Arabisch Schiereiland onder het zwaard van de islam. Zijn directe opvolgers (de Rashidun) voegden daar in nauwelijks 30 jaar Palestina, Mesopotamië, Perzië en de noordelijke delen van Egypte en Libië aan toe. Tijdens de regering van de Omajjaden (661-750) bezweken de rest van Noord-Afrika, het Iberisch Schiereiland en delen van Centraal- en Zuid-Azië.

Helaas voor de godsdienstwaanzinnigen waren hun leiders aanvankelijk eerder belust op het veroveren van vruchtbaar land, toegang tot water en rijke buit dan op het oogsten van zielen. Zij identificeerden zich meer met hun Arabische volksgenoten dan met hun mohammedaanse geloofsgenoten en hadden er een hekel aan als de verslagen volken de islam al te enthousiast omarmden, omdat dit de privileges van de Arabieren aantastte. Overwonnen niet-Arabieren die moslim wilden worden, moesten zich eerst als cliënt aan een Arabische stam verbinden. Pas toen het idee van de ummah was uitgekristalliseerd, gedurende het bewind van de Abbasidische kaliefen (750-1258), streefden islamitische heersers bewust naar verbreiding van het geloof. Als gevolg hiervan bekeerden zich tijdens het Omajjadische tijdperk slechts ongeveer 10% van de overwonnenen in het Midden-Oosten tot de islam. Tijdens de Abbasidische periode groeide het aantal moslims van 40% halverwege de 9e eeuw tot ca. 80% aan het eind van de 11e eeuw.

Het kwakkelende Perzische Rijk kon weinig weerstand bieden aan de opdringende Arabische horden en bezweek in 644. Ofschoon ze officieel niet tot de ‘Mensen van het Boek’ behoorden, werden de aanhangers van het zoroastrisme (de staatsreligie die slechts twee goden kende) niet erg onder druk gezet om zich aan de leer van Mohammed te onderwerpen. Wel kregen landbouwers na conversie meer land. Arbeiders die met vuur werkten waren een makkelijke prooi voor de islam, omdat ze in het zoroastrisme als onrein werden beschouwd. Het Perzische cultuurgebied was de eerste grote beschaving die door moslims werd overheerst en ze namen veel verworvenheden over, o.a. bij het bestuur. [Dit werd een blauwdruk voor de Borgachtige handelwijze van de moslims ten aanzien van superieure culturen.] In de 10e eeuw intensiveerde de discriminatie van niet-moslims en de zoroastristen die niet onder het islamitische juk wilden blijven vluchtten naar India, waar hun nazaten (de Parsi’s) nog altijd leven.

Er was vaak niet veel aandrang nodig om de christenen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika van hun geloof te laten vallen. In tegenstelling tot de joden waren ze niet gewend te lijden voor het goede doel. Alleen al het feit dat ze als dhimmi gediscrimineerd werden en extra belasting moesten betalen was voor veel christenen aanleiding hun opties te wegen. Bovendien concentreerden de moslims hun veroveringstochten aanvankelijk op gebieden waar de christenen een conflictueuze relatie hadden met het centrale kerkgezag (zoals Noord-Afrika en Voor-Azië). De meeste gelovigen daar behoorden tot dissidente stromingen als het donatisme, dat weigerde ‘verraders van het geloof’ weer in de kerk op te nemen, en het monofysitisme en nestorianisme, die de uitspraken van het Concilie van Chalcedon over de goddelijke natuur van Jezus verwierpen. Oppervlakkig gezien bestonden er heel wat overeenkomsten tussen deze ideologieën en de vroege islam. Hierdoor liepen veel christenen over naar de nieuwste loot aan de Abrahamitische stam. Zij waren het die de islam zijn initiële reputatie van ‘vooruitstrevendheid’ bezorgden.

Latere islamitische heersers in Al-Andalus en het Ottomaanse Rijk hadden eveneens economische motieven voor het ‘tolereren’ van andersdenkenden. Niet alleen leverde dat meer belastingen op, maar de christenen en joden waren ook productiever en inventiever dan hun moslimonderdanen. In Andalusië verdween de goedgunstigheid trouwens als sneeuw voor de zon toen puriteinse Berberdynastieën, zoals de Almohaden, de macht veroverden.

De belofte dat het paradijs gegarandeerd is als je de ‘vijanden van allah’ (toevalligerwijs ook je eigen vijanden) berooft, tot slaaf maakt, of doodt, was zeer aantrekkelijk voor de nomadische stammen van Centraal- en Oost-Azië, die moeilijk op andere wijze rijkdom konden verwerven. Dit verklaart voor een groot deel de triomftocht van de islam onder deze volken. De Mongolen, bijvoorbeeld, hingen overwegend het animisme aan, hoewel zich onder hen ook groepen nestoriaanse christenen bevonden. Ze waren de moslims, die zich verbeten te weer stelden tegen hun overvallen, aanvankelijk zeer vijandig gezind en boden zelfs de kruisridders een bondgenootschap aan om tegen hen te strijden. In de loop der tijd bekeerden echter steeds meer Mongolen zich tot de islam, die veel beter aansloot bij hun wrede natuur. De Turkssprekende Kayi stam onder leiding van Osman gaf de doodsklap aan het op zijn laatste benen lopende Byzantijnse Rijk en zijn nazaten wisten niet alleen het Midden-Oosten onder hun beheer te brengen, maar ook Griekenland en delen van de Balkan.

Waar de islam stuitte op een grote polytheïstische religie (het hindoeïsme in India) was geweld de enige optie. De Belgische historicus Koenraard Elst schreef hierover: “The Muslim conquests, down to the 16th century, were for the Hindus a pure struggle of life and death. Entire cities were burnt down and the populations massacred, with hundreds of thousands killed in every campaign, and similar numbers deported as slaves. Every new invader made (often literally) his hills of Hindu skulls, Thus, the conquest of Afghanistan in the year 1000 was followed by the annihilation of the Hindu population; the region is still called the Hindu Kush, i.e. Hindu slaughter. The Bahmani sultans (1347-1480) in central India made it a rule to kill 100.000 captives in a single day, and many more on other occasions. The conquest of the Vijayanagar Empire in 1564 left the capital plus large areas of Karnataka depopulated. And so on.

Volgens de schatting van de Indiase historicus K.S. Lal hebben de veroveringstochten van moslims op het Indisch Subcontinent, die begonnen in de 7e eeuw en pas eindigden aan de het begin van de 19e eeuw, alleen al in de periode 1000-1525 aan 60 tot 80 miljoen hindoes het leven gekost. Sinds de splitsing van het gebied in India en Pakistan (plus in latere jaren Bangladesh) hebben de opeenvolgende Indische regeringen deze bloederige geschiedenis echter standvastig genegeerd.

Bij dawah speelden (Arabische) handelaren een voorname rol. Ze brachten de islam op plaatsen die de veroveraars niet konden bereiken, zoals Indonesië. Daar werd het geloof in de 11e eeuw geïntroduceerd door handelaren uit Gujarat (India). De eerste bekeerlingen waren inheemse handelaren en vorsten. Vijf eeuwen later was de islam uitgegroeid tot de dominante religie van Java en Sumatra. Tot in de 19e eeuw waren er geen georganiseerde pogingen de overgebleven hindoes en animisten te bekeren, maar daarna werden de moslims steeds activistischer.

In Afrika beneden de Sahara werd de islam eveneens door handelaren geïntroduceerd, maar door strijders verbreid, bijvoorbeeld tijdens de zgn. Fulani jihads van de 17e tot de 19e eeuw. De islam is op dit continent vooral sterk vertegenwoordigd in het noorden (inclusief de Sahel) en langs de oostkust tot Mozambique. Vanuit deze en omringende regio’s zijn miljoenen slaven naar de harems van het islamitische hartland versleept.

In gebieden waar een islamitische meerderheid aan een niet-islamitische meerderheid grenst zijn gewelddadige conflicten nog altijd aan de orde van de dag. De oorlog tussen de ‘Arabieren’ van Noord-Soedan en de zwarte animisten en christenen in het zuiden hebben aan meer dan twee miljoen zuiderlingen het leven gekost. Recentelijk zijn in Nigeria opnieuw vijandelijkheden opgelaaid tussen de moslims in het noorden, die niet konden verkroppen dat een christen de verkiezingen had gewonnen, en de rest van de bevolking. Duizenden christenen zijn vermoord of verdreven. Het geweld roept pijnlijke herinneringen op aan de ondergang van Biafra, waar niet-moslims op grote schaal werden vernietigd zonder dat het Westen een vinger uitstak.

Het Westen heeft recentelijk opnieuw een bladzijde toegevoegd aan het zwartboek van (neo)koloniale wandaden door in Ivoorkust de kant te kiezen van de ‘democratisch’ gekozen nieuwe president (een mohammedaanse indringer uit Burkina Faso) en te helpen de zittende christelijke president, die zijn stam- en geloofsgenoten niet zomaar aan een islamitische dictatuur wilde uitleveren, te verdrijven. Hij claimde dat de verkiezingsuitslagen vervalst waren, een geloofwaardige bewering gezien de gewoonte van moslims door hun dreigende aanwezigheid bij stembureaus de kiezers te intimideren.

Ook tegenwoordig nemen islamieten hun toevlucht tot dawah op plaatsen waar ze slechts een kleine minderheid vormen, zoals gelukkig nog steeds het geval is in het Westen. Overal waar een meerderheid van moslims echter met een minderheid van andersdenkenden te maken heeft, ziet de toekomst van de laatsten er somber uit. Het aantal boeddhisten, hindoes en christenen in door moslims gedomineerde regio’s neemt gestaag af. Boeddhisten hebben het zwaar te verduren in het zuiden van Thailand. Hindoes zijn vrijwel uitgeroeid in Pakistan en Bangladesh, terwijl de mohammedanen van India een van de grootste islamitische gemeenschappen ter wereld vormen. Ook dreigen er na 2000 jaar geen christenen meer over te blijven in het Midden-Oosten. Ze zien geen andere uitweg dan emigratie. [Juist deze vluchtelingen worden in het Westen ongemeen kritisch bejegend. Ze worden niet zelden teruggestuurd naar het land waar ze hun leven niet zeker zijn, terwijl hun islamitische belagers asiel krijgen.]

Er is geen enkel uitzicht dat dergelijke conflicten ooit vreedzaam opgelost zullen worden. Wat de moslims betreft, kan er pas vrede heersen als de islam heerst.


Conclusies.

Polytheïstische godsdiensten zijn over het algemeen zeer tolerant. ‘Vreemde’ goden worden, als men er het nut van inziet, zonder aarzeling geïncorporeerd in het eigen pantheon. Als ze veel gelijkenis vertonen met al aanwezige godheden, smelten de culten dikwijls samen. Zo bestond het Romeinse pantheon uit een kern van via de Etrusken uit Griekenland geïmporteerde goden, aangevuld met Italische landgoden. Aansprekende godheden uit de veroverde gebieden kregen ook in Rome tal van fans. Voorbeelden zijn de Egyptische moedergodin Isis, de rondborstige Anatolische godin Cybele en de Perzische stierenslachter Mithras. Meer gespecialiseerde goden als Keltische paardengodin Epona vonden in de eeuwige stad weinig emplooi, maar zij bleef in de Romano-Keltische buitengewesten populair en kreeg gezelschap van composieten als Sulis-Minerva en Mars-Toutatis.

Monotheïstische godsdiensten, daarentegen, zijn van nature buitengewoon intolerant. Allemaal menen ze de ‘enige ware god’ te aanbidden. Andersdenkenden hangen daarom per definitie een dwaalleer aan. De volgelingen van Mozes, Jezus en Mohammed zijn het er alleen niet over eens of ze verschillende goden vereren, dan wel dezelfde god in een andere verschijningsvorm. In ieder geval is een felle concurrentiestrijd tussen de twee ‘missionaire’ Abrahamitische religies onvermijdelijk.

Godsdiensten kunnen op vier manieren hun aanhang vergroten: door voortplanting, verkondiging (‘zieltjes winnen’), conformisme en geweld.

Voortplanting is tegenwoordig het meest succesvolle verbreidingsmechanisme. Dat is slecht nieuws voor Europeanen en Japanners (die in ‘baarstaking’ lijken te verkeren), want hoe vruchtbaarder de aanhangers van een bepaalde godsdienst zijn, des te groter zal hun aandeel in de bevolking worden. Zo hebben katholieken in Noord-Europa in de afgelopen eeuwen met succes de ‘wraak van de wieg’ uitgeoefend. Het gemiddelde kindertal van islamitische vrouwen ligt momenteel veel hoger dan dat van de aanhangsters van andere religies en dit feit alleen al zal het percentage moslims in de wereldbevolking omhoog jagen (vooral als teerhartige westerlingen zo stupide zijn hen te helpen deze kinderen ook groot te brengen). Sommigen spreken in dit kader van een demografische jihad. Daarom kunnen we de woorden van de Algerijnse president Abdelaziz Bouteflika (“we zullen jullie veroveren met de baarmoeders van onze vrouwen”) maar beter serieus nemen.

Slechts een kleine minderheid van de wereldburgers praktiseert niet de religie waarin men is opgevoed. Met name in het Westen vallen weliswaar steeds meer twijfelaars van hun geloof (vaak tijdens de puberteit), maar er zijn niet veel mensen die bewust voor een andere, beter bij hun persoonlijkheid passende, religie kiezen. Meestal zijn het mislukkelingen in hun eigen samenleving. [Voor islamieten is switchen trouwens onmogelijk, want apostaten wacht de doodstraf.]

Ook bij zieltjes winnen is de islam in het voordeel. Christenen zijn tegenwoordig te laf om voor hun geloof te werven, terwijl de meeste moslims het als een heilige plicht beschouwen. [Laatst wekte een fanatieke moslima nog algemeen misprijzen op toen ze probeerde stervende slachtoffers van de Alphense schutter de shahada te laten uitspreken.] In de meeste werelddelen zijn de kaarten nu wel geschud en kan alleen massale migratie te balans nog verstoren (een reëel gevaar voor Europa). In het polygame en deels nog heidense Afrika, echter, liggen de kansen voor de islam (de enige wereldgodsdienst die polygamie propageert) een stuk beter dan die van het christendom (dat van de aanhangers monogamie eist).

In de loop van de geschiedenis heeft vooral het christendom volop geprofiteerd van conformisme (de neiging van mensen om het voorbeeld van hun leiders te volgen/de kant van de winnaar te kiezen). Het kwam zelfs geregeld voor dat veroveraars uit politieke overwegingen het christelijke geloof van (een deel van) hun nieuwe onderdanen overnamen, in de wetenschap dat hun eigen volk als een kudde schapen in hun voetspoor zou treden.

Geen islamitische vorst heeft zich ooit ‘verlaagd’ tot het adopteren van de religie van veroverden, ook al waren zij veel beschaafder dan hij. Al hun verworvenheden werden overgenomen (en later als ‘islamitische uitvindingen’ gepresenteerd), behalve hun godsdienst. Toen er geen grote civilisaties meer waren overgebleven die zich lieten absorberen, waren ook de mohammedaanse ‘gouden eeuwen’ ten einde. Nieuwe onderdanen die zich ‘vrijwillig’ bekeerden tot de islam deden dat vaak volgens het patroon dat bekend is van de acceptatie van technologische innovaties, de zgn. S-curve (een afgeleide van de normale verdeling).

Het christendom zou in het Romeinse Rijk en later in de rest van Europa geen poot aan de grond hebben gekregen als de gelovigen oprecht de christelijke waarden hadden hooggehouden. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis trokken de meeste christenen zich in het dagelijkse leven echter weinig aan van het gebod de naasten lief te hebben. Toch is er een cruciaal verschil tussen de christelijke en islamitische aanpak, gesymboliseerd door het feit dat in het christendom onder martelaren mensen worden verstaan die zijn gestorven voor hun geloof, terwijl het in de islamitische visie mensen zijn die hebben gedood voor hun geloof. Het gebruik van geweld, zeker voor de verbreiding van een godsdienst, staat diametraal op de christelijke ideologie, terwijl de islam wapengekletter toejuicht.

Europa staat vol met kerken en kloosters die zijn gebouwd door voor hun zielenheil vrezende warlords. Niet zelden spendeerden ze zelf de laatste jaren van hun leven in een dergelijk klooster en bestrooiden hun hoofden met as uit wroeging over hun wandaden. Mohammedanen, daarentegen, glorieerden in geweld. Nooit hebben ze blijk gegeven van enig schuldgevoel over de misdrijven van henzelf of hun voorouders. Nog altijd wordt bruutheid niet geschuwd bij de verbreiding van het geloof. Zo worden in landen als Egypte en Pakistan met de regelmaat van de klok christelijke of hindoeïstische meisjes ontvoerd, onteerd, aan hun verkrachter uitgehuwelijkt en gedwongen hun geloof af te zweren. Mochten ze ooit gered worden, dan zijn ze als apostaten vogelvrij. [Het kan natuurlijk altijd nog erger.]

De huidige generatie christenen wordt verlamd door misplaatst schuldgevoel. Zij praktiseren de christelijke naastenliefde tot op het suïcidale af en helpen daarmee hun ergste vijanden de overhand te krijgen. Sommigen laten zelfs hun kerken ontheiligen door islamitische gelukszoekers. Het is echter bepaald niet aan te bevelen de andere wang toe te keren bij conflicten met mensen die de opdracht hebben ongelovigen (jou dus) dood te slaan.

Ik zie de toekomst van het christendom dan ook somber in. De met een onnavolgbare zelfvernietigingsdrang behepte aanhangers ervan zullen van het wereldtoneel worden weggefokt en weggepest en de atheïsten, joden, boeddhisten en hindoes zal het niet beter vergaan –tenzij men de islam met gelijke munt terugbetaalt. In het mensenrijk gaat het namelijk niet anders toe dan in het dierenrijk: de meest agressieve wint. De technologische superioriteit van het Westen is volkomen betekenisloos als men weigert de producten ervan tegen de jihadistische moslims in te zetten. Degenen die hopen op een proces van ‘verlichting’ in de islam zijn naïef. De meest dogmatische van alle religies heeft zich al bijna duizend jaar succesvol tegen iedere wetenschappelijke vooruitgang weten te verweren. Het is dus niet te verwachten dat het gezonde verstand uiteindelijk zal zegevieren bij de muzelmannen.

woensdag, april 13, 2011

Handen af van Libië!

In het artikel “A lesson from the professor and the station master” memoreert George Jonas een anekdote over de befaamde Hongaarse Oriëntalist Arminius Vambery die, zoals vele hoogwaardigheidsbekleders rond de vorige eeuwwisseling, de beschikking had over een privé-treinwagon. Daarmee reisde hij eens door Anatolië, op uitnodiging van de sultan van het zieltogende Ottomaanse rijk. In een klein dorpje aangekomen dook ineens de stationschef op, die hem meedeelde dat zijn wagon moest worden losgekoppeld. Alleen als hij een bescheiden bakshish doneerde, kon er wel een uitzondering gemaakt worden. De bejaarde, kreupele geleerde aarzelde geen moment en liet zijn kruk hard neerkomen op de uitgestoken hand van de inhalige functionaris, een beer van een vent. Onder een regen van slagen ging de stationschef, verontschuldigingen mompelend, er als een haas vandoor. Zijn metgezel informeerde of hij niet bang was een man te slaan die hem gemakkelijk in tweeën had kunnen breken. “Dit is de Oriënt, hem niet slaan vond ik nog veel beangstigender”, antwoordde Vambery.

Er is maar één manier om met traditionalistische islamieten om te gaan (nl. met de knoet in de hand), omdat zij slechts één soort intermenselijke relaties kennen: die tussen meester en slaaf. Allah is de meester, mensen zijn niets dan zijn slaven; mannen zijn de meesters, vrouwen en kinderen zijn niets dan hun slaven; moslims wanen zich de meesters, kuffar zijn niets dan hun slaven. Als men zich tegenover een mohammedaan niet als een meester gedraagt, zal men als een slaaf behandeld worden. Het is dan ook onzinnig om moslims te helpen. Hulp geven is voor hen geen bewijs van menslievendheid, maar juist een bewijs van zwakheid. Hulp ontvangen is geen bewijs van eigen falen, maar juist een bewijs van eigen superioriteit. Hulp van kuffar is slechts een alternatieve vorm van jizya, die moslims rechtens toekomt vanwege het blote feit dat ze de verachtelijke ongelovigen in leven gelaten hebben. Enige vorm van dankbaarheid is dan ook volstrekt overbodig. Niet alleen ondank, maar haat zal het loon van de hulpvaardige zijn.

Dit is onlangs weer eens ten overvloede bewezen in de Afghaanse stad Mazar-i-Sharif, waar een dol geworden massa, opgejut door wraakzuchtige imams, zeven medewerkers van de VN lynchte (waaronder vier –vermoedelijk boeddhistische- bewakers uit Nepal, die de suïcidale opdracht hadden gekregen niet op een woedende menigte te schieten, al werden ze nog zo bedreigd) uit verlate razernij over het 'koranproces' van dominee Terry Jones. [De koranverbranding van Ann Barnhardt is overigens veel amusanter: vooral de boekenleggers van bacon zijn een geniale vondst.]

In een eerder artikel heb ik ervoor gepleit om alle ontwikkelingshulp aan moslims te staken. De scheiding der wegen zal echter nog veel verder dienen te gaan. Ik heb een gruwelijke hekel aan radicale islamisten, maar op één punt ben ik het hartgrondig met hen eens: het Westen dient zich niet met de interne aangelegenheden van moslimlanden te bemoeien. We moeten de moslims in hun eigen vet gaar laten smoren. Als ze elkaar bij duizenden over de kling jagen, als ze massaal creperen door honger en ziekten, als ze bij natuurrampen fatalistisch op de puinhopen neerzitten, dan hebben ze Allah blijkbaar vertoornd -en wie zijn wij om de wijsheid van de almachtige in twijfel te trekken.

Moslims proberen te helpen is dwaasheid, moslimlanden democratisch proberen te maken is waanzin. Hoe de meeste moslims over democratie denken is treffend onder woorden gebracht door de Turkse premier Recep Tayyip Erdogan. Hij vergeleek democratie met een trein, die je verlaat zodra je doel bereikt is. Islam en democratie gaan niet samen en zullen ook nooit samen kunnen gaan. In een democratie buigt de overheid voor de wil van het volk, terwijl een islamitische overheid alleen voor de wil van de maangod mag buigen.

Moslimlanden vormen een doorlopende waarschuwing tegen de gevaren van diversiteit en zouden in dat opzicht een les voor ons allen moeten zijn. In de islamitische wereld heerst óf chaos, als de verschillende volken, stammen en religieuze groeperingen elkaar op leven en dood bestrijden (zoals in Somalië), óf onderdrukking. Dictaturen zijn er in twee smaken: de seculiere (meestal militaire) dictatuur (zoals in Syrië) en de theocratische dictatuur (zoals in Iran). Een zogenaamd democratisch land als Indonesië (waar de islam nog enigszins ontkracht wordt door hindoeïstische invloeden) is het grootste deel van zijn postkoloniale geschiedenis een militaire dictatuur geweest en is nu hard op weg een shariastaat te worden (net als Turkije). Overal waar moslims vrij konden kiezen, stemden ze voor het theocratische dwangbuis. Er is maar één kwestie voor het Westen van belang: hebben we last van de politieke situatie in een moslimland of niet.

De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat de seculiere dictaturen voor het Westen het meest gunstig uitpakken. Ze zorgen voor stabiliteit, houden de moslimextremisten onder de duim (zoals ook christelijke minderheden toegeven) en zijn vaak afhankelijk van westerse steun, dus beïnvloedbaar. De manier waarop Amerika een trouwe bondgenoot als Hosni Mubarak heeft laten vallen is dan ook beschamend. Linkse Gutmenschen klagen altijd dat het Westen alleen geïnteresseerd is in de olievoorraden van het Midden-Oosten en zich daarom met brute onderdrukkers inlaat. Deze visie is niet geheel van realiteit ontbloot. Zonder olie storten de economieën van de westerse landen (helaas) in elkaar, dus het garanderen van een continue stroom olie is een legitiem belang.

De democratische revolutie betekent ook het failliet van islamhaters. Waar blijft een Wilders of een Le Pen, nu hele volkeren in landen met een grote meerderheid van moslims hun democratische rechten opeisen?” juichten de oliedomme Europarlementariërs (van de PvdA uiteraard) Bozkurt en Berman in de Volkskrant. Volstrekte onzin natuurlijk. Er zullen onder de demonstranten heus wel oprechte democraten gezeten hebben (vooral hoogopgeleide jongeren die actief zijn op het internet), maar zij vormen slechts een kleine minderheid en hun invloed valt volkomen in het niet bij de macht van goed georganiseerde fundamentalistische groeperingen als de Moslimbroederschap. Deze zullen eventuele ‘vrije’ verkiezingen dankzij de volgzaamheid van de grote massa religieuze zombies met gemak winnen –om vervolgens spoorslags een theocratische dictatuur in te voeren waarin de waarachtige democraten als eersten achter de tralies of onder de zoden zullen belanden.

Men zou verwachten dat Amerika zich niet nog een keer aan de democratische steen zou stoten, na de debacles in Irak en Afghanistan (waar men vele honderden miljarden en vele duizenden soldatenlevens heeft verspild in een vergeefse poging ‘democratie te brengen’ en ‘het land op te bouwen’), maar dan onderschat men de ezelachtigheid van Barack M. Obama. Aangespoord door de eveneens aan megalomanie lijdende Franse president Nicolas Sarkozy en in de luren gelegd door de Arabische Liga (die Gadaffi maar al te graag kwijt is, maar er niet over peinst zelf de kastanjes uit het vuur te halen) heeft Amerika wederom honderden miljoenen dollars verkwist om het peperdure bommen te laten regenen op het verouderde wapentuig van Gadaffi tijdens de zinloze NAVO-queeste om de opstandelingen in Oost-Libië te helpen. Aangezien men weigert grondtroepen in te zetten, is er een patstelling ontstaan die de lepe dictator ongetwijfeld in zijn eigen voordeel zal weten om te buigen.

Natuurlijk is Muammar al-Gadaffi een gevaarlijke gek en het is zeker niet onlogisch om hem eens flink mores te leren. Dat hadden de westerse landen echter veertig jaar geleden moeten doen, voor hij linkse en islamitische terroristen tegen hen ophitste en hun vliegtuigen in de lucht liet ontploffen. Gadaffi’s tegenstanders zijn absoluut geen vrijheidslievende idealisten, maar leden van concurrerende stammen die minder dicht bij de voedertrog staan dan ze wensen, voormalige handlangers die zelf de macht willen grijpen en islamistische intriganten. Behalve dat ze Gadaffi uit de weg willen ruimen, zijn ze het over weinig zaken eens en aan hun democratische gehalte kan met recht getwijfeld worden. De meeste andere exponenten van de ‘Arabische lente’ hebben ‘meer welvaart’ een stuk hoger in het vaandel staan dan ‘meer vrijheid’ en velen gokken wat het reiken naar rijkdom betreft liever op Europa.

Bemoeienis met de Noord-Afrikaanse ‘volksopstanden’ is dan ook alleen gerechtvaardigd als het erom gaat de aanzwellende golf asielprofiteurs tegen te houden. Tot op heden is dat nauwelijks gelukt. Van alle Noord-Afrikanen ondervinden de Tunesiërs de minste nadelen van de strijd om democratisering en juist zij zijn degenen die de gelegenheid hebben misbruikt door bij duizenden naar Lampedusa te ‘vluchten’ –eerder een teken dat ze niets te vrezen hebben (dictators zien niet graag dat hun horigen de benen nemen), dan het bewijs dat hun leven gevaar loopt (de enige reden om vluchtelingen toe te laten).

Het ingrijpen in Libië is het zoveelste hoofdstuk in de continuing story van mislukte interventies in moslimlanden. Het loslaten van de kwaadaardige zielenherder Ruhollah Khomeini op Iran heeft geleid tot een theocratische dictatuur met aan het hoofd een krankzinnige president die binnenkort de knoppen van een atoombom onder handbereik heeft. Het redden van de menselijke organen stelende moslims in Kosovo door het bombarderen van de Servische christenen heeft geleid tot een bruggenhoofd voor terroristen in Europa. Het bewapenen van Afghaanse mujahedin voor hun strijd tegen de Sovjetbezetting (aanvankelijk een clandestiene actie van de Texaanse afgevaardigde Charlie Wilson en een aantal ongeleide CIA-projectielen) heeft geleid tot het schrikbewind van de Taliban en 9/11. Het omverwerpen van het gewelddadige regime van Saddam Hussein heeft geleid tot het verdrijven van meer dan de helft van de christenen uit Irak en zal leiden tot een uitzichtloze burgeroorlog zodra de ‘geallieerden’ hun hielen gelicht hebben. Het geven van ontwikkelingshulp aan moslimlanden heeft als consequentie dat hordes mohammedanen die anders op jeugdige leeftijd waren overleden nu staan te dringen om de westerse samenlevingen te vergiftigen.

Elke bemoeienis met een moslimland leidt onvermijdelijk tot een catastrofe. Het Westen moet de relaties met de islamitische wereld dan ook drastisch herzien. Wil men geen Clash of Civilizations dan moet er een Divide between Civilizations komen. Om te beginnen moeten de geallieerden zich onverwijld terugtrekken uit Irak en Afghanistan (wat Nederland de onzalige missie in Kunduz bespaart). Contacten met de islamitische wereld dienen beperkt te worden tot de meest basale handelsrelaties (olie voor voedsel, medicijnen en andere eerste levensbehoeften). Westerse toeristen en hulpverleners die zo nodig naar een moslimland willen, doen dat in het vervolg maar op eigen risico. Worden ze ontvoerd of bedreigd, dan is dat niet het probleem van hun regering (een zo onbesuisde reddingsactie als de mislukte poging een ingenieur van Haskoning uit Libië te halen mag in de toekomst nooit meer plaatsvinden). Bedrijven die hun kassa willen laten rinkelen in deze landen doen dat in het vervolg maar zonder overheidsgaranties.

De belangrijkste stap in het vergroten van de afstand tot de islamitische beerput is echter het paal en perk stellen aan de migratie van moslims naar het Westen. De aanwezigheid van miljoenen erfvijanden op de Europese bodem heeft tot niets dan ellende geleid. Turkije mag dan ook onder geen enkel beding lid worden van de EU (nu al worden er op grote schaal visa uitgereikt aan moslims uit het Midden-Oosten en Centraal-Azië, die dan onbelemmerd Europa zullen kunnen binnenstromen). Het asielrecht, door moslims fanatiek verkracht, moet worden afgeschaft. De remigratie van moslims naar de landen van herkomst moet krachtig worden bevorderd.

Democratie en islam gaan niet samen. Moslims en niet-moslims gaan al evenmin samen. Hoe eerder we dit beseffen, des te groter is de kans dat we onze civilisatie misschien nog zullen kunnen redden.

dinsdag, januari 25, 2011

Maurits Berger: islampropagandist uit hebzucht.

Er waren een aantal pijnlijke momenten voor Maurits Berger, bijzonder hoogleraar Islam in de Hedendaagse Westerse Wereld, tijdens het programma ZOOO MOSLIM, waarvoor hij als expert was ingehuurd. Uiteraard werd hem gevraagd of hij (zoals sommige van zijn academische collega’s) zelf moslim is geworden. Gegeneerd verklaarde hij door opvoeding en onderwijs een zodanige “achterstand” te hebben opgelopen (in spiritualiteit of primitiviteit vraagt men zich dan af) dat het er (nog) niet van gekomen was. Volgens zijn islamitische vrienden is hij allang moslim en hij durft hen niet tegen te spreken.

De leerstoel die Maurits bezet wordt (tot vreugde van de Universiteit van Leiden) betaald door de Sultan van Oman, die het ‘natuurlijk’ niet in zijn hoofd zou halen zich te bemoeien met de inhoud van het gedoceerde. Beoogde kandidaat voor deze knusse zetel was Tariq Ramadan, die het veld moest ruimen omdat hij te opvallend met dubbele tong spreekt. Er is een Nederlands gezegde dat de ‘complexiteit’ van de situatie waarin Maurits zich bevindt uitstekend weergeeft: wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Het heeft er alle schijn van dat Maurits zich in de meest ingewikkelde bochten wringt om zijn broodheer niet voor het hoofd te stoten. Gevraagd naar de cartoonrellen was het enige wat hij te melden had dat christenen het ook “niet leuk” vinden als Jezus belachelijk wordt gemaakt, door hem bijvoorbeeld met een stijve aan het kruis af te beelden. Ehsan Jami wees er terecht op dat alleen moslims amok maken en moordaanslagen plegen als een uiting van westerse humor ze niet bevalt (dat dit vaak door overheden georkestreerd wordt doet weinig ter zake).

Maurits maakt zich wel vaker belachelijk. In een onbewaakt ogenblik liet hij zich ontglippen, dat “de sharia en het Nederlands recht voor meer dan 95% aan elkaar gelijk” zijn. Een kans voor open doel voor de website Hoeiboei, die elke gelegenheid te baat neemt om bewijzen voor het tegendeel aan te slepen. Maar zelfs al zou dit waar zijn, het DNA van de mens is voor meer dan 99% gelijk aan dat van de chimpansee en het is precies dit ene procent dat ervoor zorgt dat wij niet langer door de bomen slingeren en met onze knokkels over de grond slepen. Die (in werkelijkheid eerder 50%) afwijkende shariaregels (o.a. steniging en amputatie als straf, draconische blasfemiewetten, de doodstraf voor afvalligen en homo’s, totale rechteloosheid van niet-moslims en extreem seksisme) representeren nu juist een tijdperk waar we hier in het Westen voor geen (zwart) goud naar terugwillen.

Als rechtgeaarde islamofiel barstte Maurits van verontwaardiging toen Geert Wilders en Martin Bosma in de openbaarheid brachten dat moslims zich, met de zegen van de koran en hun grote voorbeeld, veelvuldig schuldig maken aan ‘leugens om bestwil’ (taqiyya). “Hoe durft Wilders te strooien met islamitische termen waar hij geen benul van heeft? Takiyya is een begrip uit de Middeleeuwen. Het ergert mij dat zo'n leerstuk van vroeger op de moslims van nu wordt geplakt. Het is alsof je beweert dat christenen denken dat vrouwen die blijven drijven, heksen zijn”, brieste hij. Taqiyya zou bovendien een sjiitisch begrip zijn dat soennieten niet kennen (en waaraan ze zich bij implicatie dus ook niet schuldig kunnen maken). Soennieten hebben echter de optie voor taysir (‘de makkelijke weg’) te kiezen. Het is hen toegestaan hun islamitische principes tijdelijk ‘in de wacht te zetten’ tot de omstandigheden in hun voordeel veranderd zijn (bijvoorbeeld door onbelemmerde voortplanting en immigratie). Het door Tariq Ramadan voorgestane ‘moratorium’ op steniging is een typisch voorbeeld van taysir. Liegen is liegen, of je het nu taqiyya noemt of niet. “Taqiyya is een feit”, concludeert Joop Oldenbroek dan ook.

Bij een man als Maurits komt onweerstaanbaar de vraag op wat hem in vredesnaam kan bezielen zijn wetenschappelijke integriteit zo te grabbel te gooien. Tijdens zijn zevenjarig verblijf in islamitische landen (waarbij hij o.a. een jaar in Syrië doorbracht om de sharia te bestuderen aan de voeten van een fossiele sheikh, als journalist werkte en als asielmedewerker bij de Nederlandse ambassade in Caïro vele niet-zieligen de verhuizing naar ons overvolle land mogelijk wist te maken) is hij vast wel eens een aardige moslim tegengekomen. Je moet echter wel stekeblind zijn om de uitzichtloze situatie van de ongewassen massa niet te zien en oliedom om de relatie met hun islamitische geloof niet te leggen.

Gebrek aan kennis kan Maurits niet ontzegd worden. Hij is in de eerste plaats een jurist die wat in het shariarecht (een contradictio in terminis) heeft geliefhebberd. Van de islam (“de islam helpt ons niet het gedrag van moslims te verklaren”) en vooral van de bloedige expansiegeschiedenis van dit geloof, heeft hij weinig kaas gegeten –of hij verzwijgt om ideologische redenen wat hij weet. Verregaande naïviteit is eveneens een factor. Iemand die niet door heeft dat hij door zijn islamitische ‘vrienden’ tot op het bot beledigd wordt als ze beweren dat hij in feite een moslim is, moet wel een weergaloze sukkel zijn (zou je tegen een moslim zeggen dat hij eigenlijk een christen is –omdat hij op een fatsoenlijk mens lijkt- dan mag je blij zijn als je het er levend afbrengt).

Een dergelijke peilloze stupiditeit zou je van iemand met doctor voor zijn naam niet verwachten. Het feit dat hij zich een dergelijke provocatie laat welgevallen en het feit dat hij de door zijn meester gepromote desinformatie blijft uitspuwen zegt alles over zijn ware motivatie: hij wil zijn dikbetaalde baantje niet kwijt. Niet dat Maurits zonder zijn hoogleraarschap hongerig en blootsvoets door de Nederlandse dreven zou zwerven (hij was een van de steunpilaren van de linkse denktank Clingendael), maar een dergelijk professoraat brengt talloze voordelen met zich mee. IJverig wetenschappelijk onderzoek doen is niet vereist (zelfs niet gewenst, omdat het in de islamitische wereld niet hoog in aanzien staat en het voortdurende gebruik van oogkleppen in westerse academische kringen onvermijdelijk op gaat vallen). Dat scheelt al gauw de helft van de arbeidstijd, die hij dus kan besteden aan door gulle moslimfilantropen en goedgelovige media betaalde schnabbels.

Ja, Maurits heeft het prima voor elkaar. Alleen jammer dat hij bij zijn aanstelling zijn geweten heeft moeten inleveren. Het is dan ook een raadsel hoe een man die zo overduidelijk een ruggengraat ontbeert rechtop kan blijven staan.

maandag, januari 05, 2009

De nazaten van Djengis Khan.

Djengis Khan, geboren als Temudjin rond 1167, verloor al op jonge leeftijd zijn vader en leefde als uitgestotene jarenlang in uiterst precaire omstandigheden. Na vele omzwervingen en tegenslagen werd hij in 1206 in een kuriltai (samenkomst van alle stamleiders) verkozen tot Grote Khan van de door hem verenigde Mongolenstammen. Hij teisterde als een ‘gesel Gods’ het grootste deel van Azië, met een door hem gecreëerde, schier onoverwinnelijke strijdmacht.

Niet alleen was dit leger optimaal toegerust (door de inzet van reservepaarden, het dragen van een zijden onderhemd dat het verwijderen van pijlen uit schotwonden vergemakkelijkte, het gebruik van een geavanceerde composietboog), ook de strijdwijze was zeer effectief. Mongolen vernietigden hun tegenstanders door manoeuvrerend op hun snelle paarden een regen van pijlen af te schieten en het vrijwel nooit op een man-tegen-man gevecht te laten aankomen (daarbij waren ze kwetsbaar). Ook adopteerden ze gretig de militaire innovaties van overwonnen tegenstanders: belegeringswerktuigen, buskruid, zelfs schepen. Ze verpletterden niet alleen de fine fleur van het Europese ridderschap, maar ook de tot dan toe zo succesvolle moslimlegers.

Djengis had vele concubines, maar de enige nakomelingen van belang waren de vier zonen die hij verwekte bij zijn vrouw Börte. De afkomst van de oudste, Jodji, was verdacht (kort na hun huwelijk werd Börte door tegenstanders van Djengis ontvoerd en verkracht), maar hij behandelde hem niet anders. Alle zoons kregen uitgestrekte leengebieden (ulus) toegewezen. Djengis stierf in 1227 en werd opgevold door zijn bekwame, maar drankbeluste derde zoon Ögödei, die de scepter doorgaf aan zijn verwaten spruit Güyük. Deze volgde hem spoedig in het graf, waarmee deze tak als factor van betekenis uitstierf. De nazaten van zijn drie andere zonen vestigden afzonderlijke khanaten.

Batu, de tweede zoon van de eveneens in 1227 gestorven Jodji, breidde het hem verschafte leengebied in het noordwesten van het rijk met behulp van de briljante generaal Subodai uit tot voorbij Moskou en roofde Polen en Hongarije leeg. Hij perste zulke gigantische tributen af van zijn Russische vazallen, dat zijn fabelachtig rijke clan de bijnaam de Gouden Horde kreeg. Na een zeer korte heerschappij door zijn zoon en kleinzoon ging de macht naar zijn tot de islam bekeerde jongere broer Berke. De laatste nazaat van Djengis, Berdebek, stierf in 1335, maar de Gouden Horde overleefde onder andere leiders tot 1502.

De bescheiden tweede zoon Djaghatai, die aan het hoofd van het dagelijkse bestuur van het rijk stond, kreeg de gebieden van de Kara-Kitai en Transoxanie in Centraal Azië (het huidige Afghanistan en de omringende landen) en had het daarmee niet echt goed getroffen.

Tolui kreeg het ‘hart’ van Mongolië, waarop hij als laatstgeboren zoon vanuit de traditie recht had. Hij stierf in 1233, maar dankzij de capaciteiten van zijn vrouw Sorghahtani Beki, een geboortige christin die door een Perzische historicus werd beschreven als buitengewoon intelligent en bekwaam en hoog boven alle andere vrouwen op aarde verheven, werd deze lijn de meest succesvolle. Ze sloot een bondgenootschap met Batu en wist in 1251 haar oudste zoon Möngke tot Grote Khan te laten kronen. Deze werd acht jaar later opgevolgd door zijn jongere broer Kubilai, na een burgeroorlog met de jongste zoon Arik Böke, die populair was onder de conservatievere Mongolenleiders omdat hij niet verpest was door een leven in luxe.

Möngke en Kubilai onderwierpen China (dat door hun voorgangers alleen was geteisterd met roofovervallen) en Kubilai, de grootste van de Grote Khans, wijdde vrijwel al zijn tijd aan het bestuur van dit rijk. Door het herstellen van rust en orde, het bevorderen van de landbouw en het aanknopen van handelsbetrekkingen bloeide China weer op. Hij stichtte een nieuwe dynastie, de Juan, die een eeuw later door een volksopstand onder leiding van de eerste Ming-keizer aan zijn eind kwam.

Hülagü, de tweede zoon van Tolui, liep Perzië onder de voet en hield op afschrikwekkende wijze huis in het Midden-Oosten: hij veroverde o.a. Baghdad en ruimde bijna 200 Assassijnen-nesten op (waarvoor velen hem zeer dankbaar waren). Hij was de christenen gunstig gezind: een belangrijk deel van zijn leger bestond uit Armeense en Georgische christenen en de christenen in de veroverde steden werden gespaard, terwijl alle moslimmannen aan het zwaard geregen werden en de vrouwen en kinderen als slaven naar het oosten werden versleept. Hij bood de kruisridders en de christelijke vorsten in Europa herhaalde malen een bondgenootschap tegen de islamieten aan, maar de eersten verkozen de kat uit de boom te kijken en de laatsten waren de ravage die door Batu in Oost-Europa was aangericht nog niet vergeten. Ze gingen niet op het aanbod in –een fatale vergissing. Hülagü’s positie werd bovendien verzwakt door een conflict met Berke, die liever niet zag dat zijn moslimbroeders in het Midden-Oosten werden uitgeroeid.

Iedere keer als een Grote Khan stierf werden van heide en verre leiders bijeengeroepen om in een kuriltai een nieuw opperhoofd te kiezen. De veroveringstochten werden dan afgebroken. Zo trok Batu zich bij een dergelijk gelegenheid terug uit Polen, Hongarije en het westelijk deel van Rusland en Hülagü uit het Midden-Oosten. Vaak was men het niet onmiddellijk eens en duurde het jaren voor de opvolger bekend was. Dit betekende uiteindelijk de redding van Oost-Europa en de islam in het Midden-Oosten.

Nadat Hülagü zich met het grootste deel van zijn troepen had teruggetrokken uit Syrië en het stroomgebied van de Eufraat bleef er nog slechts een klein Mongolenleger achter. Kortzichtige kruisvaarders besloten de Egyptische Mamelukken-generaal Qutuz vrije doortocht te verlenen en deze wist de Mongolen, die onder bevel stonden van de christelijke generaal Ked-Buka, bij Ain Jalut (1260) een vernietigende nederlaag toe te brengen -de eerste en de laatste keer dat de Mongolen verslagen zijn. Het Midden-Oosten was voor de islam veilig gesteld en kort daarop vielen de laatste kruisvaarderbolwerken.

Het rijk van Hülagü en zijn nazaten (de Ilkhans) beperkte zich voortaan tot Perzië. Het gebied bleef onrustig en Ghazan de Hervormer, die in 1295 aan de macht kwam, besloot de banden met zijn onderdanen aan te halen door zich tot de islam te bekeren. Hij werd nagevolgd door de meeste van zijn bevelhebbers. Zijn neef Abu Sa’id was de eerste khan met een islamitische naam –en tevens de laatste, want hij had geen kinderen. De resterende Mongolen gingen geruisloos in de Perzische bevolking op.

De opvolgers van Djaghatai, ook tot de islam bekeerd, leken in Centraal-Azië aan het kortste eind getrokken te hebben, maar hielden het uiteindelijk nog het langste vol. De Mongolen van zijn khanaat vermengden zich met Turkssprekende nomaden en het meest in het oog springende product van deze mix, Timur Lenk (Timur de Manke, in Europa bekend als Tamerlane en naar verluid in vrouwelijke lijn afstammend van Djengis Khan) greep in 1369 de macht in Transoxanië. In de daarop volgende decennia deed hij duchtig van zich spreken: hij veroverde grote delen van Centraal- en West-Azië (o.a. Perzië), versloeg de concurrerende legers van de Gouden Horde, plunderde in 1398 Delhi (waar hij na zijn triomfantelijke intocht een gigantische slachtpartij aanrichtte, alles platbrandde en de overlevenden als slaven wegsleepte), viel Syrië en Anatolië binnen (waar hij in 1402 de Ottomaanse sultan Bayezid I gevangen nam) en stierf in 1405 terwijl hij voorbereidingen trof om China te heroveren op de Ming-keizer. Zijn achterkleinzoon Babur kwam op de vlucht voor binnenlandse onrusten in Noord-India terecht en stichtte aan het begin van de 16e eeuw het Moghul Rijk, dat (uiteindelijk in sterk afgeslankte vorm) tot 1857 zou bestaan.

Bij hun veroveringstochten gingen de Mongolen met ongekende wreedheid te werk. De minste weerstand had totale vernietiging tot gevolg, maar ook de bevolkingen van steden die zich direct overgaven werden soms uitgeroeid, louter om schrik aan te jagen. Timur Lenk liet 100.000 Indische krijgsgevangenen ombrengen. Bij de verovering van Baghdad kwamen volgens Perzische bronnen tussen de 800.000 en 2.000.000 mensen om het leven. Daarbij vallen de 2700 islamitische krijgsgevangenen die Richard Leeuwenhart bij de strijd om Akko liet executeren en zelfs de 40.000 burgers die sneefden bij de verovering van Jeruzalem volkomen in het niet. [Het beestachtige gedrag van de Mongolen is men echter vergeten, het aanzienlijk minder beestachtige gedrag van de Kruisvaarders niet.] De rooftochten van Djengis en Ögödei in China kostten volgens schattingen ca. 30 miljoen Chinezen het leven. Dat hadden er nog heel wat meer kunnen zijn, want generaal Subodai kon er slechts met moeite van weerhouden worden 10 miljoen Noord-Chinese boeren over de kling te jagen om hun land te kunnen benutten als weidegrond voor Mongoolse paarden.

De huidige Mongolen denken echter niet met afschuw terug aan de bloederige daden van hun nietsontziende voorouders. Integendeel: de herinnering aan Djengis Khan is de reddingboei waaraan dit door het communisme vernederde volk, verdeeld over een Russische vazalstaat en een Chinese provincie, zich vastklampt. Zijn portret prijkt op talloze voorwerpen, van wodkaflessen tot tapijten, en wekt niets dan trots en nostalgie op.

Vergeleken met de vernietigingstochten van de Mongolen waren de koloniale expedities van het Westen een toonbeeld van beschaving en ingetogenheid. Hoog tijd dus om maar eens op te houden ons te wentelen in schuldgevoelens. Die zijn nergens voor nodig, want in het rijtje van de grootste schurken uit de geschiedenis nemen westerse koloniale veroveraars zeer bescheiden posities in.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

vrijdag, augustus 08, 2008

De optimisten hebben ongelijk.

‘Nederlanders positiever over moslims’, jubelden de mainstream media onlangs n.a.v. de uitkomsten van een TNS/NIPO enquête. Een uitermate ongeloofwaardige conclusie, die heftig werd aangevallen door hun eigen lezers (zie hier, hier en hier). Bij dit soort onderzoeken voeren ongefundeerde, sociaal wenselijke antwoorden, die met een flinke korrel zout genomen moeten worden, de boventoon. In het huidige tijdsgewricht ontkomt echter niemand er meer aan zijn houding jegens de religie van de onvrede en haar aanhangers te bepalen.

De instelling van de columnisten van Het Vrije Volk ten aanzien van moslims (en linksdragers) deugt in ieder geval van geen kanten, volgens het ‘objectieve’ oordeel van Peter Breedveld, de webmaster van dat brandpunt van vrijzinnigheid, Frontaal Naakt. “HVV heeft een duidelijke signatuur, versterkt door de commentaren op artikelen op andere sites in de rechterkolom op die site. Als zangeres Hind het Songfestival verliest, wordt er met leedvermaak kond gedaan van de nederlaag van de moslim, want moslims mogen het Songfestival niet winnen voor Nederland. Over Barack Obama lezen we op HVV uitsluitend verdachtmakingen. Regelmatig wordt er opgeroepen tot geweld tegen 'Links'. Kritiek op Wilders komt de criticus op ernstige beschuldigingen te staan op HVV. Ronald Reagan is heilig, wie gelooft dat het met de islamisering zo'n vaart niet zal lopen, is op zijn best een naïeve sukkel, op zijn slechtst een verrader die moet worden kaalgeschoren. Pleidooien voor vrijheid van meningsuiting voor moslims zul je op HVV niet tegenkomen. Om maar niet te spreken over taalkundige trouvailles als 'slinks' en 'de linksmens’.”

Dat de attitude ten aanzien van mensen en hun ideeën niet altijd bepaald wordt door een nuchtere analyse van waarneembare feiten, wordt door niemand overtuigender aangetoond dan door Peter zelf, als het gerucht dat zijn change of heart ten aanzien van de gevaren van de islam in hoge mate is ingegeven door het feit dat hij zijn vrouw en bloedjes van kinderen in de steek heeft gelaten voor een appetijtelijke (en per definitie wel heel liberale) moslima tenminste op waarheid berust.

Ietwat simplistisch gesteld zijn er vier logische variaties te onderscheiden waar het de attitude ten aanzien van de islam en moslims betreft:
(1) islam>positief / moslims>positief;
(2) islam>positief / moslims>negatief;
(3) islam>negatief / moslims>positief;
(4) islam>negatief / moslims>negatief.
Variatie 1 is (uiteraard) kenmerkend voor volgelingen van Mohammed en voor zelfislamiserende, naar de dhimmi-status snakkende politiek-correcte autochtonen. Variatie 2 is aan te treffen bij radicale fundamentalistische geloofsbroeders, die hun teleurstelling over de dwalingen van hun medemoslims op bloedige wijze over het voetlicht brengen.

Positivo’s die ‘hele bevolkingsgroepen’ (zoals moslims) kritiekloos ‘wegzetten’ als vredelievend en verrijkend voor iedere gastheer worden nooit als vuige xenofielen bestempeld: positief discrimineren van ‘de zwakkeren’ is namelijk niet alleen toegestaan, maar wordt zelfs toegejuicht (waarbij men voorbijgaat aan het feit dat positieve discriminatie van de een automatisch negatieve discriminatie van de ander impliceert). Oordeel je echter negatief over ‘de moslims’, dan ben je niet alleen een xenofoob, maar zelfs een racist (een aantijging waarvan een HVV-er tegen wil en dank als Marcel “soms scheert het wel eens langs racisme hier” & “ik publiceer voornamelijk op HVV omdat ik voor weblogs als FN waarschijnlijk niet chic genoeg ben” Vreemans spontaan in een kramp schiet). Hoe vaak moet het nog herhaald worden: Mohammedanen vormen geen ras (en als dat wel zo zou zijn, dan zouden zij de ultieme racisten blijken). Negativo’s hebben geen afkeer van moslims omdat de meesten gekleurd zijn, maar omdat ze een verfoeilijke totalitaire ideologie aanhangen. Sommigen koesteren zelfs een speciale verachting voor blanke bekeerlingen.

HVV-ers verschillen over tal van onderwerpen van mening (ik zie zelf bijvoorbeeld weinig heil in het libertarisme), maar over één ding zijn ze het eens: de islam is een kwaadaardige ideologie, die een groot gevaar vormt voor het Westen. In de houding ten aanzien van moslims zijn twee hoofdstromingen te ontwaren: het optimisme van degenen die geloven dat bij het juiste beleid (de meeste) moslims kunnen en willen integreren in de Nederlandse samenleving en het pessimisme van degenen die geloven dat ze dat niet kunnen en vooral ook niet willen. Ik behoor tot de laatstgenoemde categorie en naar mijn mening heeft de geschiedenis ons gelijk op overtuigende wijze bewezen. Moslims hebben nooit iets anders nagestreefd dan de onderwerping en overheersing van iedereen die hun geloof niet deelt en er is geen enkele reden om aan te nemen dat ze op dit punt ooit zullen veranderen. Discussies over de beste manier om moslims te integreren zijn dan ook zinloos.

Het is moeilijk om mensen los te koppelen van hun opvattingen en de optimisten moeten zich dan ook in allerlei bochten wringen om de sceptici te overtuigen. Ze gebruiken daarvoor uiterst dubieuze argumenten. (a) Moslims zijn de grootste slachtoffers van de islam. Dat moge (gedeeltelijk) waar zijn (afstand geeft gelukkig enige bescherming), maar mensen die slachtoffer worden van de ideologie die ze zelf aanhangen zijn in hoge mate medeschuldig aan hun lot en wekken bij mij weinig “mededogen en barmhartigheid” op. (b) Vele moslims kennen de werkelijke inhoud van de koran niet (omdat ze het Arabisch niet beheersen of zelfs analfabeet zijn, en een ‘suikerversie’ gepresenteerd krijgen). Dat wil ik best geloven. Waar het echter om gaat is dat slechts weinig moslims bestrijden dat men de koran letterlijk moet nemen. De vraag is dan ook hoe ze zullen reageren als ze kennis maken met de ware (haatzaaiende, opruiende, seksistische) inhoud van de koran. Zullen ze zich vol walging van de islam afwenden, of zullen ze tot de conclusie komen dat ze tot dan toe geen goede moslims zijn geweest? Ik vrees het antwoord. (c) Het overgrote deel van de moslims is gematigd (of ze zijn zelfs seculier, liberaal, of voormalig, maar durven daar niet openlijk voor uit te komen). Dat is heel goed mogelijk. De vraag is echter wiens kant ze zullen kiezen bij een conflict tussen westerlingen en islamofascisten. Lagonda kent het antwoord.

Het negativisme van de pessimisten ten aanzien van moslims wordt gevoed door wantrouwen: liegen tegen ongelovigen (taqiyya) mag immers van de allerhoogste. Er zijn ongetwijfeld talloze aardige moslims (ik ken er zelfs een paar), maar zolang het overgrote deel van de slaven van Allah de koran serieus neemt, doe ik dat ook, en beschouw ik de leden van de ummah als mijn gezworen vijanden. Als atheïst heb ik namelijk nogal wat te verliezen in de door de meesten van hen voorgestane shariastaat. Mijn kop, om precies te zijn. Sommige pessimisten willen zover gaan de koran (en zelfs de islam) in Nederland te verbieden, maar dat is natuurlijk onzinnig -alleen al omdat een dergelijk verbod niet te handhaven is. Ik heb er ook helemaal geen probleem mee dat mensen de koran lezen, zolang ze er maar niet naar leven.

Als de pessimisten gelijk hebben, zijn er drie mogelijke scenario’s voor de toekomst van Nederland: (1) We laten de zaken op hun beloop. Dan is Nederland voor het eind van deze eeuw een shariastaat waarin het trieste restje autochtonen een uitzichtloos bestaan als verachte tweederangsburgers lijdt. De overigen hebben zich om hun hachje te redden tot de islam bekeerd, zijn vermoord, of zijn verdreven. (2) We laten de zaken te lang op hun beloop, maar besluiten uiteindelijk toch ons niet als lammeren naar de slachtbank te laten voeren. Dan is een burgeroorlog onvermijdelijk. (3) We besluiten onze samenleving te redden nu het nog kan. Dan moeten we eerst de kraan dichtdraaien (een complete stop op de immigratie van islamieten) en vervolgens flink dweilen (het 'wegpesten' of desnoods deporteren van alle allahtonen die onze maatschappij schade berokkenen, of weigeren zich aan te passen en niet uitdrukkelijk afstand nemen van de onacceptabele passages in de koran). Ik prefereer optie 3, maar gezien de slapheid en de struisvogelneigingen van het overgrote deel van de autochtone Nederlanders zal het scenario 1 wel worden. Gelukkig ben ik de vijftig al ruim gepasseerd en heb ik geen kinderen. Het zal mijn tijd wel duren en het heeft weinig zin me druk te maken over het lot van andermans (klein)kinderen als ze dat zelf niet doen. [Ik kan dat echter nog steeds niet laten, hoe goed het ook voor mijn gemoedsrust zou zijn.]

Bij het uitstippelen van een strategie voor de toekomst is het verstandig je eerst af te vragen wat je staat te verliezen als blijkt dat je de verkeerde keuze hebt gemaakt. Als de pessimisten ongelijk hebben, verliezen wij bij vastberaden actie niets dan het weinig geapprecieerde gezelschap van een massa nutteloze medelanders en mogelijk een deel van onze welvaart door een olieboycot (dan kunnen we gelijk eens zien wat het EU-lidmaatschap waard is). Als de optimisten ongelijk hebben, verliezen wij onze vrijheid, onze cultuur, onze welvaart en mogelijk zelfs ons leven. De juiste keuze lijkt me dan ook niet moeilijk.

Massale immigratie is altijd een ramp voor de ontvangende bevolking (vraag het de Amerikaanse Indianen, de Australische Aborigines, of de Papoea’s van Irian Jaya maar). Immigranten komen namelijk nooit om de autochtonen goed te doen, maar om er zelf beter van te worden. Als de inheemsen al profiteren van de aanwezigheid van vreemdelingen, is dat zuiver toeval. Bovendien is het dan voornamelijk de elite die de wrange vruchten plukt. Principiële geweldloosheid is suïcidaal als men te maken heeft met een meedogenloze tegenstander (we moeten nooit vergeten dat moslims alleen gevoelens van ‘mededogen en barmhartigheid’ koesteren jegens geloofsgenoten). Ik ben van nature de vreedzaamheid zelve, maar één ding staat voor mij buiten kijf: ieder volk heeft het recht om zijn grondgebied, zijn cultuur en zijn welvaart te verdedigen tegen indringers –desnoods met geweld.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.