Posts tonen met het label multiculturele samenleving. Alle posts tonen
Posts tonen met het label multiculturele samenleving. Alle posts tonen

woensdag, april 22, 2009

De haatimam en zijn deurmat.

Met de kleinst mogelijke meerderheid (één stem) heeft de Tweede Kamer een motie van de VVD tegen de aanstelling van de omstreden ‘moslim geestelijk verzorger’ Ali Eddaoudi tot legerimam verworpen. Dit nadat draaitol-met-de-grote-oren Jack de Vries zijn rituele dansje had opgevoerd en daarna was teruggekomen bij zijn oorspronkelijke standpunt dat er tegen deze keuze geen wezenlijke bezwaren aan te voeren waren. Terechte protesten van de Kamer werden weggewuifd omdat hij Ali-met-het-korte-lontje zijn woord gegeven had. Hij had daarom tevoren al aangekondigd dat hij deze motie bij aanname niet zou uitvoeren -wat hij zich kon permitteren omdat geen van de coalitiepartijen in de huidige omstandigheden verkiezingen durft te riskeren.

Desondanks stuitte deze gang van zaken zijn eigen partij, het CDA, wiens Grote Leider Jan Peter Balkenende door aanmatigende Ali was afgeserveerd als “nog geen deurmat waardig”, flink tegen de borst. Ook VVD en PVV hadden weinig met deze ‘mondige’ Nieuwe Nederlander op. In zijn actieve periode als publicist had ambitieuze Ali ('schrijver, leraar en geestelijk verzorger') zich bijzonder kritisch getoond over het Nederlandse leger en zijn activiteiten. Hij beschuldigde de Nederlandse soldaten in Afghanistan er zelfs van als ‘dolle kruisvaarders’ inheemse families te ‘onteren’. Door een indringend tête à tête was goedgelovige Jack echter tot de conclusie gekomen dat arglistige Ali zich van zijn eerdere uitspraken had gedistantieerd, zodat niets zijn omarming meer in de weg stond. Deze typisch islamitische u-bocht kan echter maar twee dingen betekenen: óf achterbakse Ali heeft zijn jarenlang gekoesterde principes overboord gesmeten voor een goedbetaald baantje bij de overheid –in welk geval hij een nog grotere hypocriet is dan de door hem zo verachte Eerste Minster; óf hij heeft de brave Jack een rad voor ogen gedraaid om als een mol de krijgsmacht van binnenuit te ondermijnen –wat mij heel wat waarschijnlijker lijkt.

De kwestie heeft de afgelopen weken heel wat stof doen opwaaien. Degenen die het voor aangevallen Ali opnamen kwamen met een tweetal argumenten. (1) Het is zo’n aardige man en hij doet zijn werk zo goed. Dit werd met name te berde gebracht door zijn vroegere collega’s bij de geestelijke verzorging (de professionele naastenbeminners Ari –‘intercultureel beleid is een must’- van Buuren van het UMC Utrecht en Ad –‘dit is karaktermoord’- de Gruijter van het Medisch Centrum Haaglanden). Men kan zich afvragen of de samenwerking ook zo harmonieus zou zijn verlopen als zij door allemansvriend Ali als ‘dolle kruisvaarders’ waren gebrandmerkt. (2) Moslims die geen blad voor de mond nemen worden gestraft met een Berufsverbot, dus zij hebben geen vrijheid van meningsuiting. Dit was de favoriete riedel van activistische islamieten en hun linkse gevoelsgenoten (die zelfs een steunwebsite voor achtervolgde Ali hebben opgericht). Er bevonden zich zoveel middelbare vrouwen in dat gezelschap dat Max Pam zich afvroeg of ze niet stiekem verliefd op attractieve Ali waren. De warhoofdige groenlinkse professor (bijzonder hoogleraar ‘Actief Burgerschap’, dan weet je het wel) Evelien Tonkens, die er moeite mee had geen racisme te zien in om het even welke kritiek op antagonistische Ali, maakte het wel zeer bont door te stellen dat hij er juist blijk van heeft gegeven de democratische principes hoog te houden door zijn ‘vrije meningsherziening’ en dat excuses aan hem dus op zijn plaats zouden zijn.

Nummer twee is natuurlijk een onzinnig argument. Niet alleen hebben moslims (helaas) in Nederland volledige vrijheid van meningsuiting, maar ze kunnen zich zelfs op grond van de vrijheid van godsdienst uitspraken permitteren die atheïsten voor het gerecht zouden brengen. Bovendien heeft niemand moslims ooit beloofd dat provocerende schrijfsels geen consequenties zullen hebben –dat personen of organisaties die je met tong of pen gekastijd hebt je een baan kunnen weigeren, bijvoorbeeld. Er zijn zelfs moslims die deze mening zijn toegedaan, zoals Asis Aynan: “Eddaoudi verstaat de kunst van de columnistiek, maar het is merkwaardig en niet bepaald tactvol om plotsklaps een ‘verderfelijk westers land’ in oorlogssituaties te willen dienen, een land dat onder leiding staat van een ‘hypocriet’ en een ‘kruisvaarder’. Ook al kent Nederland vrijheid van meningsuiting, men moet wel de gevolgen dragen van zijn mening.” Islamieten zijn overigens zelf de eersten die tegen hen onwelgevallige uitingen van anderen te hoop lopen, moest ook Peter Breedveld toegeven: “met name Eddaoudi stond altijd vooraan om andersdenkenden te verketteren en te bedreigen”. Activistische Ali is nauw betrokken bij de Stichting Mirsab die tot doel heeft islamofobie te bestrijden met alle daarvoor bestaande juridische middelen (bijvoorbeeld een tsunami aan klachten). Het liefst zouden deze ‘trotse moslims’ voor alle ‘beledigers van de islam’ een Berufsverbot invoeren.

Verstandiger commentatoren, zoals de eveneens groenlinkse, gewone (dus echte) hoogleraar Meindert Fennema (die men wel vaker op de behartigenswaardige opinies kan betrappen), Nausicaa Marbe en het Tweede Kamerlid Paul de Krom (VVD) brachten de zaak tot de juiste proporties terug door er op te wijzen dat het hier niet ging over vrijheid van meningsuiting, maar over geschiktheid voor een bepaalde functie. “Moet uitgerekend iemand die zúlke oorlogszuchtige taal uitslaat een vertrouwenspositie binnen Defensie gaan bekleden? Wat heeft hij daar eigenlijk te zoeken?”, vroeg Paul de Krom zich af. Een intrigerende imam is evenzeer ongeschikt om militairen geestelijk te laven als een pacifistische priester. “Vrijheid is geen blijheid als je niet weet welke ernstige consequenties vrijheden met zich mee kunnen brengen”, schreef arrogante Ali zelf. Youssef Azghari meende dat hij wel een cursus verantwoord gebruik van de vrijheid van meningsuiting kan gebruiken en dat hij op zijn minst excuses moest aanbieden voor zijn ‘foute uitspraken’: “in dat geval heeft niemand het recht hem zijn nieuwe baan te weigeren”.

Afgeschreven Ali’s medestanders hebben in één opzicht gelijk: door zijn publicaties heeft hij de flak aangetrokken, terwijl zijn Turkse collega Souad Aydin, een lid van de fascistische organisatie Milli Görüs die er waarschijnlijk nog veel abjectere ideeën op na houdt, ongezien onder de radar is doorgeglipt.

De kwestie zou natuurlijk academisch moeten zijn. Zoals Hero Brinkman bij Pauw en Witteman (14/4) betoogde, is het vanwege een mogelijk loyaliteitsconflict ongewenst dat mensen met een dubbele nationaliteit in het Nederlandse leger dienen. Verreweg de meeste moslims hebben hun oude nationaliteit behouden. Bovendien zijn ze niet alleen primair solidair met het land van herkomst, maar ook met hun geloofsbroeders. Moslims, ook de ‘puur Nederlandse’, zijn gewoon niet te vertrouwen, zoals talloze gevallen van verraad (met als meest weerzinwekkende voorbeeld het doorspelen van atoomgeheimen door de Pakistaanse spion Khan) bewijzen. Hoe groot het gebrek aan rekruten ook is, door het aantrekken van islamitische soldaten komen we van de regen in de drup. Op één punt ben ik het overigens volkomen met Afghanenkampioen Ali eens: Nederland heeft in Afghanistan niets te zoeken. Als wij ons terugtrekken, bespaart dat niet alleen klauwen met geld (altijd welkom in deze crisistijd), maar zal het tekort aan militairen ook als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Uit aangebrande Ali’s tirade tegen Balkenende moet men niet de conclusie trekken dat hij een principieel probleem heeft met deurmatten, vooral niet als hij degene is die er zijn voeten aan kan afvegen. Tot zijn meest vurige voorvechters behoort zijn vrouw Rabi’a (voorheen Rebecca) Frank. In haar ogen is ‘goedgebekte’ Ali “de beste moslim geestelijke verzorger die Nederland ooit zal kennen”. [Of ze weet dat atavistische Ali het maar intolerant vindt dat een moslim in Nederland niet met twee vrouwen mag trouwen?] Ook zij beklaagde zich over de ‘dubbele moraal’: “Andere columnisten in Nederland hebben wel ergere dingen gezegd dan hij, maar hun artikelen zijn ’scherp, tegendraads, of ongenuanceerd’. Die van hem ’extremistisch, fundamentalistisch, radicaal’. Zoek de verschillen.”

Als tot de islam bekeerde halve Joodse is ze een (tamelijk) uniek geval (helaas neemt de Joodse zelfhaat soms pathetische vormen aan: er bestaan naar verluid zelfs Joodse neonazi’s –en nee, daar reken ik Thomas von der Dunk niet toe). Rabi’a is een bekeerlinge van de meest fanatieke soort. Ze zag op haar achttiende het licht, wat haar toenmalige vriendinnen niet erg konden appreciëren. Ze heeft dan ook alleen nog maar moslimvrienden. Ze houdt zich strikt aan de strengste geloofsvoorschriften (ze luistert bijvoorbeeld nooit naar muziek). Ze heeft zelfs een tijd met een niqab rondgelopen (tegen de zin van haar echtvriend, voor wie de hatelijke opmerkingen die ze naar het hoofd geworpen kreeg moeilijk te verteren waren). In een van zijn columns beklemtoonde alternatieve Ali dat naar zijn mening de niqab niet door de islam wordt voorgeschreven, maar riep liberale moslims op vrouwen die er voor kozen het gelaat te bedekken niet in de rug aan te vallen: “ik kan werkelijk niet begrijpen dat een moslim (onnodig) drempels opwerpt voor een medemoslim”. Na drieënhalf jaar legde Rabi’a haar niqab weer af om haar man niet verder in verlegenheid te brengen.

Westerse vrouwen die zich tot de islam bekeren hebben twee in het oog springende kenmerken. (1) Ze zijn vrijwel altijd spuuglelijk, een gegeven dat de wens zich zoveel mogelijk te bedekken in een ander licht plaatst (als orthodoxe Joodse had Rabi’a hoogstens een pruik op mogen zetten). (2) Ze zijn vrijwel altijd stapelgek. Dat blijkt zonneklaar uit Rabi’a’s eigen uitspraken. “Als je net moslim wordt, ben je een spons. Je duikt erin. Ik werd er high van.” In de loop van de tijd ebde de roes echter weg en had ze een sterkere prikkel nodig: “Ik wilde weer iets doen wat echt wat van me vroeg. Ik wilde dat gevoel weer. Met de nikab voelde ik me meer compleet. Het is de kers op de taart. Ik voel me er geweldig in.” Ze gelooft heilig dat de niqab haar ‘paradijskansen’ vergroot: “Alles wat ik doe, doe ik om beloning, ik doe het voor Allah.” Dit lijkt verdacht veel op het genre zelfkwelling van anorexiepatiënten en meisjes die hun armen met scheermesjes bewerken.

Het dragen van een niqab door westerse bekeerlingen is niets anders dan een bewuste provocatie en roept dan ook de nodige vijandige reacties op. Daardoor kunnen ze zich wellustig wentelen in misplaatst zelfmedelijden. Alwetende Ali laat hetzelfde patroon zien: ook hij provoceerde er als ‘zelfbewuste moslim’ lustig op los, maar toen zijn onnadenkende woorden hem nadeel dreigden te gaan berokkenen kreeg de slachtofferrol snel een reprise. Ze zijn voor elkaar geschapen, de deurmat en haar gebieder.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

dinsdag, maart 04, 2008

De glazen bol van Frank Siddiqui.

Het enige dat wij hebben willen doen, is waarschuwen dat Nederland in zijn angst voor islamitisch terrorisme het gevaar niet ziet van een langzamerhand overweldigend anti-islamitisch sentiment. Wij zijn bezorgd over deze blindheid. Het gevaar dat wij zien, is dat het bagatelliseren van breed gevoeld anti-islamisme kan leiden tot een doorbraak van Wilders en Verdonk á la Fortuyn bij volgende verkiezingen. Het is niet langer ondenkbaar dat de anti-moslim-proteststem op een derde van Kamerzetels kan rekenen. In dat geval – en sinds Fortuyn weten we dat het mogelijk is – kan anti-islamisme beleidsdbepalend [sic] worden. Aan de polarisatie tussen moslims en niet-moslims die daarvan het gevolg is wil je niet denken. (Frank Siddiqui in een reactie op Afshin Ellian in de NRC)

Bij het rondetafelgesprek tijdens de NOVA-uitzending van 29 februari werd mijn aandacht getrokken door een zeldzaam irritant mannetje: de ‘journalist en communicatieadviseur’ (= lobbyist voor kwalijke moslimzaken) Frank Siddiqui. Na enig gegoogel kwam ik terecht bij een discussie waarin Siddiqui een allesbehalve stralend middelpunt was en die zich de afgelopen maand op de website van de NRC ontvouwde. Het verloop van dit debat bood ook een verklaring voor de nauw verholen vijandschap tussen Siddiqui en Afshin Ellian, een van de andere tafelheren, tijdens de uitzending.

De discussie werd aangezwengeld door het artikel Stel duidelijke grenzen aan Geert Wilders van een vijftal ‘prominente’ (maar mij volkomen onbekende) moslimintellectuelen in de NRC van 9 februari. Daarin maakten zij gretig misbruik van de door premier Balkenende voorspelde crisis die vertoning van de film Fitna van Geert Wilders te weeg zou brengen om de politiek op te roepen Wilders monddood te maken, of in hun woorden “een duidelijke grens [te trekken] tussen vrije meningsuiting en het aanzetten tot haat”. Dat “uitgerekend deze gefrustreerde volksmenner” de ‘profeet’ Mohammed vergeleek met Hitler was “een dieptepunt in een permanente stroom van radicale uitspraken, uitlatingen, columns, cartoons en reacties die –op zijn zachtst gezegd- weinig complimenteus zijn over onze religieuze en culturele erfenis.”

Natuurlijk zijn ze helemaal voor de vrijheid van meningsuiting, maar (het bekende liedje): “elke vrijheid wordt begrensd door andermans grondrechten en het algemeen belang”. Er is volgens hen geen sprake meer van een debat, maar van een “oproer”. Wij zijn “stilzwijgend, stapje voor stapje, opgeschoven van een ‘open debat’ naar de meest ordinaire volksmennerij ten koste van de islamitische minderheid”.

De grote schuldige aan deze in hun ogen zo beangstigende ontwikkeling is Geert Wilders. “Na de opstapjes van met name Fortuyn en Hirsi Ali hebben we nu te maken met een Kamerlid dat de angst voor –en de haat tegen- de islam heeft ontdekt als politiek machtsmiddel en het niet meer wenst los te laten. Hij moet permanent worden bewaakt tegen de woede en de agressie die hij zelf in de hand heeft gewerkt. Desondanks blijft hij ageren vanuit een vrijwel volledig sociaal isolement. Door op het suïcidale af slachtoffer te spelen van het geweld dat hij willens en wetens oproept, verovert hij een steeds grotere aanhang. Zijn fort is de behoefte aan roering van de om aandacht concurrerende media. Hij lapt elke politieke fatsoensregel aan zijn laars en kapitaliseert met hysterische, xenofobe retoriek het ressentiment van angstige kleine luyden die zich door de politiek in de steek gelaten voelen.”

Wilders tracht in hun opinie electoraal profijt te trekken uit het “exploiteren van angst en haat voor bevolkingsgroepen”. In een latere repliek spitste een van de ondertekenaars, Shervin Nekuee, ‘socioloog en publicist’, de kritiek op de verfoeide tegenstrever verder toe: Wilders maakt de moslims tot zondebok, “een regelmatig bewandeld pad van populistische politici in tijden van grote maatschappelijke veranderingen, die veel onzekerheid en kwetsbaarheid en dus frustratie bij het volk oproepen”.

Vanuit hun achtergrond hebben de schrijvers ervaren “hoe diep anti-islamitsche senti-menten in de Nederlandse cultuur en geschiedenis zijn verankerd”. Zij refereerden aan het historische beeld van de “bebaarde assassijn met het kromzwaard tussen de tanden” [een beeld dat ik vóór het faillissement van de multiculturele samenleving zelden ergens heb ontwaard] en zien dat angstaanjagende beeld in moderne vorm (o.a. cartoons) weer oprukken. “Het lijkt onschuldig, maar het doet iets met je.”

Zij verweten de politiek dat deze uit een “machteloos soort self-permissiveness die smaakt naar politieke lafheid” burgers zoals zij “die volop betrokken zijn bij de maatschappelijke dialoog, tegen de klippen op van anti-islamhysterie” in de kou laat staan. Erger nog: als de film van Wilders doel treft “zal dit resulteren in een nieuwe golf van islamofobie. Wat dit voor de islamitische minderheid kan betekenen wordt kennelijk veronachtzaamd ten gunste van het recht op vrijheid van meningsuiting van een kamerlid. Blijkbaar tellen moslims als burgers niet, is hun veiligheid niet van belang. Het zwijgen over de mogelijke gevolgen vinden we niet alleen laf en verwerpelijk, het zegt ook veel over de positie van moslims in dit land.”

Zij beweerden te spreken namens een meerderheid van de bevolking [ook niet-moslims, al staan de moslims –uiteraard- op de eerste plaats] als ze van de politieke leiders eisen “dat ze niet angstig proberen een toenemend xenofoob electoraat te vriend te houden”, maar “het overgrote, redelijk denkende deel van de bevolkin” een stem te geven. Ze smeekten premier Balkenende om “nu er een crisis dreigt je politieke leiderschap waar te maken en het volk toe te spreken”. [Dat heeft JPB dus gedaan, met onvoorziene gevolgen: zijn laffe houding wordt hem door een aanzienlijk deel van het Nederlandse electoraat niet in dank afgenomen.]

Op deze oproep kwam een cynisch commentaar van Afshin Ellian, die opmerkte dat deze praatmoslims niet alleen pretendeerden te spreken voor alle moslims, maar zich zelfs opwierpen als woordvoerders van het ‘redelijke’ deel van de niet-moslims. De door hen geschetste situatie heeft echter weinig overeenkomst met de realiteit. Bij de zogenaamd gewillige media, die zouden hebben geholpen de lont in het ‘kruidvat’ te steken, is zelden een islamcriticus te zien. De auteurs luidden echter de noodklok omdat ze “de totale verwijdering van islamkritiek en kritiek op de multiculturele samenleving willen”. Niet de moslims lopen gevaar in Nederland, maar degenen die moslims bekritiseren. Door de moslimpopulatie als een kruidvat voor te stellen bewijzen de auteurs alleen maar het gelijk van Wilders: “Wie is gevaarlijker: de volksvertegenwoordiger of het kruidvat? De volksvertegenwoordiging is het hart van de democratie en het kruidvat een bedreiging daarvan.” Hoewel ze het niet met zoveel woorden zeggen, zouden deze ‘praatmoslims’ Wilders het liefst willen laten vervolgen. Ellian vindt het buitengewoon ironisch dat een van de meest bedreigde personen van Europa dan slachtoffer wordt van een dubbele vervolging: “de vervolging door de radicale moslims en de vervolging door de overheid onder druk van moslims”.

Ook historicus-met-gezond-verstand Frank Ankersmit had weinig op met deze retoriek (“even betreurenswaardig als ontmoedigend”). Ondanks het feit dat de auteurs duidelijk behoren tot de ‘sociale en intellectuele elite’ van ons land “verhinderde hun moslimachtergrond hen nog steeds om te zien hoe een westerse democratie behoort te reageren op politici als Wilders. Dat stemt tot moedeloosheid en pessimisme. Helaas." Hoe vervelend het voor sommigen ook is, private verontwaardiging over onwelgevallige uitspraken kan nooit een basis zijn voor publieke, strafrechtelijke veroordeling. De gekwetste zal knarsetandend moeten berusten. Ankersmit vindt het feit dat Balkenende als reactie op de dreigende ‘crisis’ niets beters te doen weet dan de ambassades in moslimlanden te waarschuwen voor mogelijke problemen een bewijs is voor “de kracht en de grandeur van onze democratie”. Zijn loftuiting aan Balkenende “voor wat juist sukkelachtigheid lijken mag” is helaas door de actualiteit al weer ontkracht.

H.W (Hermann) von der Dunk, historicus-zonder-gezond-verstand, had heel wat meer begrip voor de verontruste schrijvers. Hij gaf Ankersmit formeel wel gelijk wat betreft de onaantastbaarheid van de vrijheid van meningsuiting, maar begon deze daarna direct te ondergraven. “Het is met de vrijheid van mening als met de tolerantie: ze veronderstelt een wederzijdse bereidheid om het inderdaad bij een mening te laten.” Omdat de samenleving nu eenmaal geen “sociëteit van beschaafde heren en dames of een academisch seminar” is, zijn meningen in de politieke realiteit “slapende daden” en leiden tot acties. Er worden bovendien allerlei grenzen aan de vrijheid van meningsuiting gesteld, die dan ook “meer theorie dan praktijk” is. “Wanneer nu infantiele leuzen worden gepropageerd als dat het ‘een democratisch recht’ is om naar hartelust te mogen beledigen, dan zijn we met onze vrijheid terug in de zandbak. Dan is er ook geen reden om geschokt te zijn als iemand het eveneens zijn vrij recht noemt om op zijn manier terug te slaan. Bij gebrek aan argumenten bijvoorbeeld met een mes”. [Deze preventieve vergoelijking van moslimgeweld kwam Von der Dunk op felle kritiek te staan op de website Hoei Boei en op het weblog van Willem de Zwijger.]

De auteurs van het gewraakte artikel beseffen heel goed dat het succes van Geert Wilders berust op het feit dat hij inspeelt op de gevoelens van onvrede die in brede kring leven, maar ze zoeken de oorzaak voornamelijk in anti-islamitische ressentimenten die al eeuwenlang in het Nederlandse wezen verankerd zouden zijn en onzekerheid over de toekomst. Het dringt maar niet tot de botte hersens van de Nederlandse moslims, zelfs goedgeïntegreerde intellectuelen als deze, door dat een groot deel van de autochtone bevolking, een veel groter deel dan wat tijdens de vorige verkiezingen op Wilders gestemd heeft en bepaald niet alleen bestaande uit ‘angstige kleine luyden’, de moslims spuugzat is. Niet vanwege angst voor aanslagen door een paar dolgedraaide terroristen in een ver land, maar vanwege boosheid over het wangedrag van de moslims in onze eigen samenleving.

Een van de reacties in de NRC-discussie kwam van een man die in 1975 voor de eerste keer in levende lijve kennismaakte met moslims. In de trein had hij een aangenaam gesprek met een paar vriendelijk overkomende Marokkanen. Alleen was hij na afloop wel zijn portemonnee kwijt en sindsdien gingen alle contacten met moslims gepaard met financieel verlies. Dit is de ervaring van de Nederlandse samenleving als geheel: ieder contact met moslims gaat gepaard met financieel verlies en er dreigt een verlies van zaken die heel wat belangrijker zijn dan geld.

Een zondebok is iemand die verantwoordelijk wordt gesteld voor zaken waaraan hij part nog deel heeft. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kregen in Nazi-Duitsland de Joden de schuld van de economische malaise, terwijl ze juist essentiële bijdragen aan de Duitse economie leverden. De moslims in Nederland zijn beslist geen zondebokken: ze worden verantwoordelijk gesteld voor datgene waarvoor ze in de realiteit ook verantwoordelijk zijn: het feit dat ze onevenredig vertegenwoordigd zijn in alle negatieve statistieken (werkloosheid, uitkeringsfraude, misdaad, aangeboren afwijkingen, straatgeweld etc.).

De moslims in Nederland hebben het voor zichzelf verpest, zo simpel is het. Er is misschien een kleine minderheid die geïntegreerd is en die een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving levert, doch als groep kosten moslims ons alleen maar heel veel geld, als groep veroorzaken moslims alleen maar heel veel overlast. Als er morgen geen moslim meer over zou zijn in Nederland, zou ons land daar alleen maar heel veel beter van worden. Geen enkele moslim heeft het recht eisen te stellen aan de Nederlandse politiek of de Nederlandse samenleving. Moslims zijn hier gekomen als bedelaars en vluchtelingen en dienen dankbaar te zijn voor iedere kruimel die we hen toewerpen.

Er is maar één manier om de anti-islamitische gevoelens in ons land, die inderdaad steeds meer terrein winnen, te bestrijden: moslims moeten zich als modelburgers gaan gedragen. Aan moslims (en andere immigranten) worden terecht hogere eisen gesteld dan aan autochtone Nederlanders, want zo gaat dat in het leven: nieuwe clubleden moeten bewijzen dat ze terecht zijn toegelaten, anders worden ze uitgestoten. Iedere poging Wilders en andere islamcritici het zwijgen op te leggen is uit den boze. Het deksel terugduwen op een overkokende pan zal tot niets anders leiden dan een gigantische ontploffing.

De nachtmerrie van Frank Siddiqui is mijn vurigste hoop: dat de partijen die zich niet willen laten ringeloren door islamitisch spierballenvertoon een zodanig grote verkiezingsoverwinning boeken dat het stoppen van de islamitische immigratie, het in het gareel brengen van de Nederlandse moslims en het bestrijden van de uitwassen van de islam de primaire beleidsvoornemens van de nieuwe regering worden. Ik kan niet wachten tot het kabinet Balkenende IV valt.

Naschrift:

Deze discussie bewijst ten overvloede dat iedere poging om de vrijheid van meningsuiting te ‘reguleren’ alleen maar tot verscherping van de tegenstellingen leidt. De vrijheid van meningsuiting dient absoluut te zijn: de verboden ten aanzien van godslastering, belediging, bedreiging, discriminatie, haatzaaien en zelfs ten aanzien van het oproepen tot geweld dienen geschrapt te worden uit het wetboek van strafrecht. Er wordt voortdurend met twee maten gemeten (haatzaaien door ongelovigen is strafbaar en haatzaaien door gelovigen niet) en er zijn wat dit betreft ook geen objectieve maatstaven aan te leggen. Uitgaan van de gevoelens van de ‘gekwetsten’ kan alleen maar tot een intolerabele censuur leiden. Woorden dienen onaantastbaar te zijn, alleen daden moeten strafrechtelijke consequenties kunnen hebben. Dat er regels van wellevendheid zijn, waaraan mensen zich bij de dagelijkse omgang dienen te houden, doet aan dit principe niets af.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

maandag, januari 07, 2008

De schaamlap voorbij.

Geert Wilders is er de afgelopen jaren in geslaagd een groot deel van het Nederlandse volk (ook van degenen die nooit op hem zullen stemmen) ervan te overtuigen dat de politiek-correcte keizer geen kleren draagt en dat het ideaal van de vreedzame en welvarende multiculturele samenleving, hun de laatste decennia zo fanatiek opgedrongen, een fata morgana is. Dat er een steeds diepere kloof gaapt tussen de niet-moslims en de moslims in ons land wordt tegenwoordig in brede kring erkend, maar over de oorzaken van deze groeiende tegenstelling zijn de analisten het niet eens. Rechts geeft de schuld aan de linksen (wereldvreemde zelfhaters die de allochtonen bijkans dood knuffelen) en links geeft de schuld aan de rechtsen (racistische proleten die hun onderbuikgevoelens de vrije loop laten). Links pleit bovendien de moslims van elke aanklacht vrij.

Voor het ontstaan van deze malaise is echter wel degelijk een schuldige partij aan te wijzen: de (witte) elite, waarbij de politieke signatuur van de betrokken niets uitmaakt. Tallozen hebben bijgedragen aan het ondermijnen van onze samenleving. De ondernemers, die om kosten te sparen geen innovaties entameerden, maar goedkope arbeidskrachten uit het Middellandse Zeegebied importeerden, die hen afdankten toen ze niet meer nodig waren omdat de arbeidsintensieve bedrijven naar lagelonenlanden werden verplaatst en die de gevolgen afwentelden op de samenleving (precies hetzelfde doen ze tegenwoordig met de Oost-Europeanen). De politici, die in vlagen van verstandsverbijstering deze afgeserveerde gastarbeiders toestonden in ons land te blijven, hun familie te laten overkomen en de Nederlandse nationaliteit aan te nemen (waartoe ze door de linkse partijen, die verlegen zaten om nieuw stemvee, regelrecht werden aangemoedigd) en die hun daarvoor de mogelijkheid verschaften door het onterecht toekennen van bijstandsuitkeringen. De vertegenwoordigers van de media, die niets nalieten om de bevolking te indoctrineren met het waanidee dat gelukszoekers uit achterlijke culturen een aanwinst voor de maatschappij zijn.

Het fiasco van dit rampzalige beleid was niet alleen voorspelbaar, maar is ook voorspeld door een aantal moedige en vooruitziende politici en opiniemakers (Hans Janmaat, Frits Bolkestein, Pim Fortuijn, Theo van Gogh, Ayaan Hirsi Ali en –als een van de eersten- de linkse anarchist Anton Constandse), die door politiekcorrecte dwazen (aangespoord en aangevoerd door ‘weldenkende’ leden van de elite) zijn verketterd, verdreven en vermoord.

Hoe catastrofaal de consequenties van deze reeks kapitale blunders zijn, begint steeds meer tot een steeds groter deel van de autochtone bevolking door te dringen. Natuurlijk, zij hebben zitten slapen en zich daarom laten verleiden op de partijen te blijven stemmen die hen in het ongeluk hebben gestort. Maar ten langen leste zijn ze wakker geschrokken en nu beseffen ze dat degenen die dik betaald werden om vooruit te zien spectaculair gefaald hebben. Er is een gerede kans dat ze zich voor het laatst hebben laten bedonderen.

Bij de afgelopen verkiezingen zijn de goedgelovigen er nog ingestonken en stemden ze massaal op het CDA, dat hen na jaren van verzuring eindelijk met zoet zou belonen, en op de linkse partijen, die hun het bestaan eveneens aanzienlijk beloofden te verzoeten. Hoe bitter was de deceptie toen bleek dat het gros van de werkenden er, ondanks de aantrekkende economie, onder het christensocialistische kabinet Balkenende IV in het nieuwe jaar alleen maar op achteruit zal gaan, als gevolg van de sterk stijgende premies en belastingen. De morrende massa begrijpt bovendien dondersgoed dat het meeste geld dat er bij de ploeterende (meest autochtone) penningenleveranciers wordt afgeroomd rechtstreeks naar de parasiterende (meest allochtone) prachtwijkers gaat. Geen wonder dus dat het driekwart van de reageerders bij een Elsevier-poll aanzienlijk meer vreugde zou verschaffen dit jaar het kabinet te zien vallen dan Nederland Europees voetbalkampioen te zien worden.

Het besef dat de weerzin van het stemvee toeneemt sijpelt binnen in de hogere regionen van de samenleving en het establishment begint onmiskenbaar tekenen van paniek te vertonen. Men tracht weerwerk te bieden door een gecoördineerde campagne om de steeds sceptischer onderknuppels van de juistheid van het elitaire wereldbeeld te overtuigen. De ene schaamlap na de andere wordt tevoorschijn getoverd om de naakte waarheid te verhullen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau, bij monde van directeur Paul Schnabel, de ondergekwalificeerde (want socioloog) en overbetaalde (bijna twee ton op jaarbasis) roeptoeter van de elite kapittelde in een interview het klootjesvolk dat maar niet wil beseffen hoe goed men het eigenlijk heeft (de koppen moeten dus weer diep het zand in). HM de Koningin van Medeland deed een flinke duit in het zakje met haar betweterige Kersttoespraak en een vijftigtal ‘prominenten’, onder bevel van Wilders-hater Doekle Terpstra, kwam met het Nieuwjaarspamflet Benoemen en Bouwen, waar de schijntolerantie van afdruipt. [De sentimentele toon lijkt trouwens verdacht veel op die van de beweging één land, één samenleving, waarmee de linksback van de VVD, Hans Dijkstal, vorig jaar de publiciteit zocht.]

Het verraderlijke van deze manifesten was dat er op het oog door een redelijk mens weinig tegenin valt te brengen. Wie is er nu tegen gemeenschapszin? Wie spuwt er op wellevendheid? Wie kickt er op polarisatie? Wiens levensvervulling is het zijn medemensen nodeloos te kwetsen? Ze richtten zich bovendien formeel gezien tot Gans Het Volk. Dat ze impliciet vooral Geert Wilders en zijn aanhangers op de korrel namen, werd in alle toonaarden ontkend. Men kan inderdaad stug blijven volhouden dat ook radicale islamieten werden vermaand tot meer tolerantie, maar aangezien zelfs een zwakzinnige niet echt gelooft dat die zich een lor zullen aantrekken van wat de koning en de koningin van de ongelovige onnozelaars te berde brengen, is dat zuivere retoriek. Wilders voelde zich terecht aangesproken, maar toen hij in ongezouten taal van zijn verontwaardiging daarover blijk gaf werd hem smalend voorgehouden dat de schoen die hij aantrok hem blijkbaar uitstekend past. Dat deze schoen ook talloze moslims als gegoten zit, maar dat die verdommen hem aan te trekken, daarover hoor je de politici en commentatoren niet. In beide manifesten werd schoorvoetend erkend dat er problemen zijn met de integratie van moslims en dat is een minuscuul lichtpuntje, maar met oplossingen (behalve het grijsgedraaide deuntje over verdraagzaamheid en dialoog) kwam men –uiteraard- niet.

Doekle Terpstra had (tot hilariteit van columnist Paul Lieben) bewust alleen witte ondertekenaars voor zijn hartenkreet gezocht: het was nadrukkelijk een initiatief van autochtonen (waarmee hij dus impliciet erkende dat het ook in de eerste plaats voor autochtonen bestemd was). Hij verwelkomde echter steun uit allochtone kring en werd reeds de volgende dag op zijn wenken bediend met het pamflet 2008 zonder angst voor de ander, uitgebracht door vertegenwoordigers van een aantal islamitische organisaties. Dat bleek geen onverdeelde zegen, want sommige initiatiefnemers zijn van een bedenkelijk allooi: Yahia Bouyafa geeft de opruiende geschriften uit van de Moslimbroederschap, dat streeft naar de islamitische overheersing van het Westen; Oner Hamurcu is voorman van het Turks-nationalistische genootschap Milli Görüs, bekend van de financiële manipulaties bij de bouw van de Amsterdamse Westermoskee; fatwavoorstander en homohater Mohammed Rabbae bezorgde GroenLinks de grootste verkiezingsnederlaag uit haar geschiedenis en Ayhan Tonca werd om zijn koppige ontkenning van de Armeense genocide van de CDA-verkiezingslijst geschrapt. Allemaal lieden die de tolerantie aantoonbaar niet hoog in het vaandel hebben staan. De hypocriete bijval van de radicale jongerenbeweging Hizb ut-Tahrir was zelfs de ruimhartige Doekle een doorn in het oog.

De elitaire prekerij (met NCRV-geurtje) waarvan deze teksten bol staan vielen bij een flink deel van de bevolking niet in goede aarde. Er steeg een walm van eigendunk uit de geschriften op die men zum kotzen vond. In de media overheersten dan ook de negatieve geluiden. Mark d'Aviano heeft een boeiende bloemlezing gepresenteerd uit de reacties op de toespraak van Koningin Beatrix. Bijna 2/3 van de stemmers bij Standpunt.nl vond het initiatief van Terpstra en zijn medestanders weinig zinvol. Zelfs op de websites van linkse kranten als de Volkskrant en de NRC was de steun beperkt. Alleen de aanhang van Trouw was waarlijk verscheurd. De achterban van ondertekenaar Lodewijk de Waal (Humanistische Alliantie) was verbolgen: die voelde niets voor het "vernachelen" van de vrijheid van meningsuiting.

Veel reageerders ergerden zich wezenloos aan het feit dat Paul Schnabel, Trix van Oranje en de ondertekenaars van Benoemen en Bouwen zonder uitzondering riante inkomens genieten en in allochtonenvrije wijken wonen. Zij behoren tot de geprivilegieerden wier hoogbejaarde ouders niet hun wijk uitgepest zijn, wier strengbehoede dochters nimmer voor hoer uitgemaakt worden, wier peperdure auto’s nog nooit in de fik gestoken zijn, maar zij hebben de gotspe om de reële problemen van de minderbedeelden hautain van tafel te vegen. Met name Drammende Doekle zelf kreeg er stevig van langs: een ex-vakbondsbons die altijd geageerd heeft tegen grootverdieners, maar die nu zijn kassa laat rinkelen bij Unilever en die met zijn parttime baan bij de (uit belastinggeld gefinancierde) HBO-Raad meer verdient dan de minister-president, heeft geen enkel recht zich op zijn morele superioriteit te laten voorstaan. Ook menige columnist (Liesbeth Wytzes, Afshin Ellian, Carel Brendel, Willem de Zwijger, Ariël Bruéns) was onaangenaam getroffen.

De opzienbarende actie van Doekle en consorten zou niet mogelijk zijn geweest zonder de medewerking van (de papieren versie van) Trouw, waarvan de uitgever en de hoofdredactie in een “uniek” en genereus gebaar de voorpagina tegen een zacht prijsje beschikbaar stelden, ofschoon ze weigerden de oproep ook te ondertekenen. De hoofdredacteur en voornaamste schuldige, ex-communist Willem Schoonen, moest toegeven dat deze geste ook binnen de eigen gelederen niet overal goed gevallen was. In de redactionele burelen werden stevige noten gekraakt, want menig redacteur vreesde (terecht) dat de krant hiermee haar journalistieke objectiviteit compromitteerde.

Trouws eigen columnist Sylvain Ephimenco, vond de oproep een “poging tot (zelf)censuur”. Zijn tegenpool, de “vastgeroeste ouwe knar” J.A.A. van Doorn (ook al een socioloog –ik begin me af te vragen of het bedrijven van deze schijnwetenschap soms tot hersenverweking leidt) was daarentegen lyrisch over het initiatief en vergeleek op de van hem bekende demagogische wijze de ondertekenaars (“maatschappelijke verantwoordelijkheid dragende leiders en woordvoerders”) in positieve zin met de steunverleners aan het Comité Ex-Moslims (“hele en halve intellectuelen, zichzelf [helaas ten onrechte] rekenend tot de crème de la crème van denkend Nederland”). Meestal zijn de stukken van zijn hand nogal controversieel. In dit geval echter niet: de reacties waren vrijwel unaniem afwijzend.

De conclusie is gewettigd dat de elitaire schaamlappen de blote staat van de keizer niet lang aan het oog hebben kunnen onttrekken. Integendeel: ze zijn door de critici zodanig aan flarden gescheurd dat de naakte werkelijkheid nog beter zichtbaar is geworden.

Naschrift:

Ik ben een groot voorstander van het benoemen van problemen. Anders dan de Majesteit en de Bende van Doekle weet ik echter dat je eerst het in de weg staande krot moet afbreken voor je kunt beginnen met het bouwen van een nieuw onderkomen. De moeder van alle maatschappelijke problemen waarmee Nederland momenteel worstelt is de aanwezigheid van een onverteerbare kluit nutteloze niet-westerse allochtonen. Problemen zijn alleen op te lossen door de oorzaken aan te pakken. Aan die oorzaken zijn de autochtone Nederlanders medeschuldig, dat valt niet te ontkennen. Wij hadden deze immigranten nooit toe moeten laten en we hadden ze nooit de Nederlandse nationaliteit moeten geven. Geen enkele ontwikkeling is echter onomkeerbaar. Immigranten die bewezen hebben dat ze in ons land niet thuishoren dienen van de Nederlandse nationaliteit te worden ontdaan en naar hun enige ware vaderland te worden teruggestuurd. Pas dan is er weer een fundament om op verder te bouwen.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

donderdag, oktober 11, 2007

Pseudowetenschappelijke prietpraat.

Het enige weken geleden verschenen WRR-rapport Identificatie met Nederland, heeft –naar mijn mening volkomen terecht- een stortvloed aan kritiek losgemaakt.

Volgens het rapport wordt tegenwoordig allerwegen onderschreven dat de integratie van allochtonen mislukt is en hebben zelfs de politieke partijen het ideaal van de multiculturele samenleving laten vallen. Het integratiedebat is ‘verworden’ tot een identiteitsdebat. Van immigranten wordt geëist dat ze zich de Nederlandse identiteit eigen maken. Dat is om twee redenen ‘contraproductief’: (a) de Nederlandse identiteit is zo dynamisch en zo ondefinieerbaar dat immigranten geen idee hebben waaraan ze zich zouden moeten aanpassen en (b) de primaire identiteit van immigranten is zo 'robuust' dat pressie om deze op te geven tot grote weerstand leidt.

In plaats van over identiteit zou het debat moeten gaan over identificatie. De WRR onderscheidt drie vormen van identificatie. (1) Functionele identificatie: verbinding door gezamenlijke activiteiten in werk, school en wijk. Dan is er sprake van een gemeenschappelijk belang en een wederkerige afhankelijkheid. Discriminatie maakt functionele identificatie echter bij voorbaat onmogelijk. (2) Normatieve identificatie: gewoonlijk gaat het hier om het internaliseren van de normen (waartoe men ook gebruiken en tradities rekent) van de ontvangende samenleving. Volgens de WRR moet men zich echter niet alleen richten op het aanpassen aan de norm, maar ook op het aanpassen van de norm, zodat immigranten hun eigen normen kunnen inbrengen, met name op het gebied van religie en seksualiteit. (3) Emotionele identificatie: je thuis voelen in en trots zijn op je nieuwe vaderland. Die komt vanzelf als 1 en 2 geslaagd zijn.

Om succesvolle identificatie te bereiken raadt de WRR de volgende maatregelen aan:
- bestrijden van discriminatie op de arbeidsmarkt, met name op gemeentelijk niveau;
- bestrijden van segregatie in scholen;
- bevorderen van de veiligheid in buurten;
- bevorderen van de representatie van minderheden in politiek en media;
- toestaan van een dubbele nationaliteit.
Het kost niet veel moeite in deze aanbevelingen de bekende linkse stokpaardjes te herkennen (zo wonderwel overeenstemmend met de beleidsvoornemens van het huidige kabinet), die niet alleen in het verleden al grondig zijn afgeragd, maar voor ook het merendeel nutteloos zijn gebleken. Deze gratuite aanbevelingen zijn het onvermijdelijke resultaat van de aan alle kanten rammelende werkwijze.

De WRR is niet bepaald deskundig op de terreinen waarop men zich ongevraagd begeeft. De redactiecommissie onder leiding van professor doctor Pauline Meurs kreeg in de reacties op het rapport dan ook onder uit de zak van echte experts, zoals de socioloog Ruud Koopmans (bij de NRC), de historicus Frank Ankersmit (bij Trouw) en de historisch-letterkundige Herman Pleij (bij Pauw & Witteman), in tegenstelling tot de leden van de WRR allemaal gewoon en voltijds hoogleraar in hun vak –wat doet vermoeden dat het hier waarlijk wetenschappers betreft. Het meest stuitend is dat men de conceptversie aan een aantal deskundigen (waaronder bovengenoemde Ruud Koopmans en conservatief coryfee Wim Couwenberg) had voorgelegd, maar zich van hun aanmerkingen niets had aangetrokken. “De opzet van het rapport stond al vast”, oordeelde Couwenberg.

Met name de vermeende ontkenning van de Nederlandse identiteit oogstte in brede kring afschuw. Herman Pleij bezigde termen als “naïef” en “onnozel”. Hij wees erop dat men wel degelijk kan spreken van “collectieve mentaliteiten”: er zijn in de Nederlandse samenleving duidelijke constanten aanwezig die dateren uit de late Middeleeuwen en die niet alleen door Nederlanders zelf onderkent worden, maar ook door buitenstaanders. Hij noemde aspecten als het egalitarisme (dat zich o.a. uit in de gewoonte elkaar direct te tutoyeren), het belang van het gezin (dat zich o.a. uit in de voorkeur voor een thuisbevalling en huwende homo’s) en het individualisme (dat zich o.a. uit in de ontkenning van een gemeenschappelijke identiteit). De oproep van Trouw om de Nederlandse identiteit te benoemen leverde een lawine van reacties op. Opmerkelijk is dat de liefhebbers van culturele diversiteit vooral met denigrerende kwalificaties kwamen (zij fulmineerden over botheid, gierigheid, bekrompenheid, ed.).

In de meeste kritiek stond de onwetenschappelijkheid van het rapport voorop. Wim Couwenberg memoreerde dat je bij de WRR alleen binnenkomt als je tot het “linkse politieke establishment behoort”, onafhankelijke denkers zijn ongewenst. Niemand bewijst overtuigender de alomtegenwoordige bias dan Pauline Meurs c.s. zelf. In een reactie op de kritiek (met name die van Ankersmit) werd er de nadruk op gelegd dat de raad zich richt op een samenlevingsprobleem: “De behoefte aan gemeenschap in Nederland is groot, terwijl dezelfde gemeenschap door Europeanisering, globalisering, individualisering en migratie onder druk is komen te staan.” Het gevolg is dat steeds meer mensen –ook autochtonen- zich in Nederland niet meer thuis voelen, wat kan leiden tot “terugtrekgedrag” en zelfs “gewelddadige radicalisering”. Deze ontwikkelingen worden echter als onvermijdelijk, onomkeerbaar en zelfs gewenst beschouwd. De gestaag groeiende maatschappelijke weerstand (in tegenstelling tot wat de WRR doet voorkomen niet alleen bij het klootjesvolk, maar ook bij kerkgenootschappen, vakbonden en politieke partijen) wordt alleen geregistreerd. In het rapport houdt men zich slechts bezig met één van de genoemde veranderingen (migratie) en met de problemen die leden van één van de betrokken bevolkingsgroepen (de niet-westerse allochtonen) ondervinden. Er worden keuzes gemaakt die, zoals ook Ruud Koopmans constateert, “niet door wetenschappelijke motieven [lijken] te zijn ingegeven”. Daar komt bij dat het statistische materiaal waarvan de WRR zich bedient dikwijls een dubieuze vraagstelling kent en de vergaande conclusies helemaal niet toelaat.

De vooringenomenheid druipt uit bijna iedere alinea van het rapport. De intolerante tendensen binnen minderheidsculturen en verwerpelijke gedragingen van sommige leden daarvan worden “steevast als een reactie gezien op politiek en media die moslims in de orthodoxe of radicale hoek drijven”, merkt Koopmans op en hij vervolgt: “Ik weet wel dat dit vaak beweerd wordt –niet in de laatste plaats door die orthodoxen en radicalen zelf- maar dat maakt de bewering nog niet waar.” Niet de vrijwillig naar Nederland gekomen immigranten worden bekritiseerd vanwege hun onwil of onvermogen om zich aan te passen, maar de Nederlanders die niet openstaan voor de opgedrongen veranderingen. Aan moslims die zich door hun sterk ontwikkelde religieuze identiteit vijandig opstellen tegenover ongelovigen wordt nauwelijks een woord vuil gemaakt, terwijl autochtonen met een sterk ontwikkelde Nederlandse identiteit (waarvan zelfs de WRR het bestaan niet kan ontkennen) wordt verweten dat ze immigranten uitsluiten. Het rapport verheerlijkt personen met meervoudige identiteiten (mengelmensen) als de ideale bruggenbouwers, maar vergeet te vermelden dat de hoogste barrières tegen mengeling niet worden opgeworpen door de autochtonen, maar door de allochtonen, die niet alleen gemengde huwelijken afwijzen maar zelfs het liefst niet-vernederlandste huwelijkspartners uit het land van herkomst ophalen. Het pleidooi voor het toestaan van een dubbele nationaliteit wordt niet ingegeven door een miskenning van de realiteit, maar eerder door de vrees dat de politici hun eigen wetgeving serieus gaan nemen: de WRR spreekt van een “wijdverbreid empirisch gegeven dat niet kan worden teruggedraaid”, maar niettemin “steeds van vraagtekens [wordt] voorzien”. Waarom deze realiteit onveranderlijk zou zijn, blijft duister.

Er worden in het rapport met veel aplomb niets dan ‘karikaturen’ van de Nederlandse omgang met etnische minderheden en culturele diversiteit gepresenteerd. Zo doet de WRR het voorkomen dat er van immigranten van meet af aan identificatie met (c.q. loyaliteit aan) Nederland wordt geëist, terwijl in werkelijkheid het grootste deel van publiek en politiek deze identificatie pas verwacht als de ingeburgerde exoot zijn Nederlandse paspoort ophaalt. Wel wordt van de immigrant een in principe positieve attitude ten aanzien van de Nederlandse samenleving verlangd –en dat is zeker niet te veel gevraagd. De WRR stelt voor om de (door henzelf geïntroduceerde term) allochtoon weer af te schaffen en te vervangen door minder ‘grofmazige’ en meer ‘contextgebonden’ benamingen. Ook nu weer is het zonneklaar dat de door de raad verfoeide begripsverkrachting niet of nauwelijks voorkomt. De term allochtoon is in de plaats gekomen van het omslachtige ‘lid van een etnische minderheid’ en wordt alleen in algemene of onbepaalde zin gebruikt, niet om specifieke personen te omschrijven. De WRR rept verder van “stevige debatten” over de Nederlandse identiteit, terwijl die debatten pas recentelijk door hun eigen toedoen zijn aangezwengeld.

In hun eindoordeel wonden sommige critici er bepaald geen doekjes om. Frank Ankersmit was van mening dat het geschrift op alle fronten ‘beroerd’ scoorde: “Zo staan er in het rapport [behalve een evidente absurditeit als de bewering dat we vanwege de globalisering juist heel gelukkig zouden moeten zijn met Marokkanen die de band met hun land van herkomst blijven prefereren boven die met Nederland] nog meer onbewezen claims, contra-intuïtieve obiter dicta en politiek-correcte vroomheden, zoals de wenselijkheid van een dubbele nationaliteit. Voeg daarbij de talloze herhalingen, de sloppy argumentatie, de slechte empirische onderbouwing en de uitzonderlijke breedsprakigheid –en je kunt niet anders concluderen dat dit rapport een gemiste kans is.” Sylvain Ephimenco constateerde dat de raad zelf polariserend werkt: “Hij zoekt niet naar een compromis, maar probeert vooral zijn politieke ideaal met de verlostang uit de beleidsmatrix te rukken.” [Verdere kritiek is o.a. te vinden bij Afshin Ellian, Halbe Zijstra, Paul Lieben, Bart Jan Spruyt, Elma Drayer en last but not least, de ‘burgerjournalisten’ op het internet.]

Kenmerkend voor de reacties van de WRR op de vernietigende kritiek is de verbijsterende arrogantie. Voorzitter Wim van de Donk schilderde tijdens een bijeenkomst met vertegenwoordigers van de media de mensen die waarschuwen tegen de gevaren van onbelemmerde immigratie af als hopeloos ouderwets: “Migratie is de logica van de nieuwe economische orde. Anders kun je de zaak beter op slot doen en uitverkoop houden, met de rug naar de toekomst gekeerd.” In de uitzending van Buitenhof van 30 september, waar Van de Donk zich te weer trachtte te stellen tegen de verwijten van Ruud Koopmans, was een van zijn argumenten dat de WRR nu eenmaal ver voor de troepen uitmarcheert en daarom argwanend bekeken wordt. Wetenschappelijkheid betekent in zijn visie slechts dat men controleerbaar maakt hoe men aan zijn uitkomsten komt -over het wetenschappelijke gehalte van de assumpties die aan het onderzoek ten grondslag liggen echter geen woord. Pauline Meurs voelde zich bij haar repliek in het geheel niet geroepen om een serieuze poging te doen de bezwaren van de critici te weerleggen, maar draaide haar verhaal gewoon opnieuw af -voor het geval het domme publiek het nog steeds niet begrepen had. Dat had ze in het rapport zelf nog maar vier keer gedaan.

Het is mij onmogelijk gebleken Identificatie met Nederland te lezen zonder dat de stoom mij uit de oren komt. Zelden is mij een geschrift onder ogen gekomen dat zo aan elkaar hangt van de onbewezen aannames, politiekcorrecte waardeoordelen, overtrokken generalisaties en overbodige conclusies. Het beeld dat de WRR van Nederland schetst komt slechts bij vlagen overeen met de werkelijkheid. De raad strijdt tegen windmolens die men zelf heeft gebouwd en men trapt deuren in die men zelf met veel misbaar heeft dichtgetrokken. Het is, kortom, een aaneenschakeling van absurditeiten. Niet dat de auteurs van het rapport zich niet geweldig uitgesloofd hebben. Hele boekenkasten zijn overhoop gehaald in een vergeefse poging hun bevindingen een wetenschappelijk cachet te geven. Ondanks alle gebrul heeft de WRR echter niets meer dan een muis gebaard.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

maandag, september 10, 2007

Ontkenning in alle toonaarden.

Met het artikel 'wie de westerse cultuur wil verdedigen, matigt zijn toon' in de NRC van 8 september voegt redacteur Sjoerd de Jong zijn stem toe aan het koor van verontrusten die zich opwinden over de ‘toon’ van het islamdebat in Nederland. Daarin kwelen niet de minsten (hij kan zich verheugen in het illustere gezelschap van o.a. Prins Willem-Alexander en WRR-voorzitter Wim van de Donk). Desondanks brengt dit koor niets dan oorkwellend valse tonen voort.

Ook Sjoerd roept de islamcritici dus dringend op hun toon te matigen (uiteraard geldt dit appèl niet voor de islamapologeten, die zich als vanouds ongestoord mogen overgeven aan het demoniseren, beledigen en bedreigen van hun tegenstanders). ‘De toon matigen’ is het linkse eufemisme voor het in het geheel geen kritiek hebben op de islam, islamaanhangers en islamofielen. Niet dat Sjoerd uit principe tegen een kritisch debat is, maar “de massieve tegenstelling die islamcritici … aanbrengen tussen de ‘islamitische cultuur’ en de ‘westerse cultuur’ is te simpel en ideologisch” en miskent de “raakvlakken en dynamiek” tussen beide. Een kritische toon is kwetsend voor de moslims in ons land (die, zoals hij en zijn geestverwanten steevast kraaien, nog altijd een kleine minderheid vormen –het vervelende is alleen dat zij niet in staat lijken tot de meeste basale rekenkundige handelingen als het erom gaat vast te stellen hoelang de moslims nog een minderheid in ons land zullen zijn als de huidige ontwikkelingen zich voortzetten). Het beslechten van sociale kwesties is naar het inzicht van Sjoerd niet in de eerste plaats een zaak van ‘ideeënstrijd’: zij moeten opgelost worden door wat meer empirisch onderzoek en vooral door ook eens ‘ouderwets’ de handen uit de mouwen te steken (dus moet Minister Vogelaar er dringend nog een paar miljarden extra tegenaan smijten).

Het matigen der toon dient niet te geschieden om “terroristen te apaiseren in de hoop zelf klappen te vermijden”. Ook Sjoerd weet dat slijmen geen fluit helpt tegen bullebakken. Nee, de omzichtiger benadering mikt op de “hearts and minds” van de meerderheid van niet-radicale moslims: “Die moeten we zien te winnen voor de Nederlandse samenleving, en betrekken bij de publieke zaak, en dat bereik je niet door voortdurend hun morele, religieuze, culturele en andere handicaps te blijven aanwijzen en aanklagen”. ‘Gewone’ moslims zitten volgens Sjoerd tussen twee vuren: westerlingen kritiseren hen omdat ze te islamitisch zijn en radicale moslims omdat ze hypocriet en niet islamitisch genoeg zijn. Deze mensen moet niet voortdurend ‘wellustig’ ingepeperd worden “dat ze met zijn allen uit een ‘achterlijke cultuur’ komen, ‘geitenneukers’, of ‘pooiers van de profeet’ zijn, dat ze een ‘tribale’ mentaliteit hebben, benevens een ondermaats incasseringsvermogen, dat ze hun kinderen niet opvoeden, dat hun cultuur er hooguit eentje is van ‘magazijnbedienden’, dat ze een levensgevaarlijke ‘vijfde colonne’ vormen die ons land wil overnemen, dat ze religieuze fascisten zijn die heimelijk of openlijk een islamitisch ‘Eurabië’ najagen, dat de hoofddoek van islamitische vrouwen gedragen wordt als een nieuw soort stahlhelm, en o ja, dat hun profeet een criminele pedofiel en een agressieve tiran was.” Deze ‘agitatie’ geeft die arme, zwaarbelaagde islamieten het verkeerde signaal: “dat we niets met ze te maken willen hebben, dat we hen eigenlijk liever kwijt dan rijk zouden zijn, en dat zij, als ze hier dan zo nodig mee willen doen, eerst compleet andere mensen moeten worden, die ons op geen enkele wijze hinderen of voor de voeten lopen”. Daarmee drijf je hen bijkans in de armen van de radicalen. Maar er zijn ook praktischer redenen om zich een fluistertoon aan te meten: het helpt niet om “mensen wier emancipatie we willen bevorderen (áls we dat willen) om de oren te slaan met hoogdravende lessen over het soort mensen dat ze zouden moeten worden”, omdat daardoor hun toch al zwakke zelfrespect nog verder wordt aangetast. Tot slot houdt Sjoerd ons voor dat wie overtuigd is van de superioriteit van de westerse cultuur de rationele en tolerante waarden van die cultuur niet alleen moet verdedigen, maar ook moet uitdragen.

Evenals als een groeiend aantal andere linkse intellectuelen is Sjoerd tot het inzicht gekomen dat een wat minder vrijblijvende aanpak (“streng, maar fatsoenlijk”) van moslims noodzakelijk is (zoveel hebben Pim Fortuyn en Geert Wilders dan toch maar bereikt): het moet hen duidelijk worden gemaakt wat in Nederland de regels zijn en er moet worden opgetreden tegen “archaïsche culturele gebruiken” en “modern radicaal-islamitisch activisme”. Toch is er op zijn opvattingen heel wat af te dingen.

Zoals door Willem de Zwijger al is geconstateerd, maakt Sjoerd een karikatuur van de opvattingen van islamcritici (hij windt zich o.a. op over “de ‘orkaan Ayaan’ die op het schoolplein islamitische kleuters kapittelde over de Grondwet, of verstoten moslima’s de les las in dat Blijf-van-mijn-lijfhuis”): etiketten als ‘geitenneukers’ en ‘pooiers van de profeet’ werden geplakt op specifieke provocerende moslims (zoals Abou Jahjah), niet op de groep als geheel en de kleuters van Ayaan zaten een flink aantal klassen hoger op de basisschool en werden niet gekapitteld, maar bevraagd.

Dat Job Cohen en Ahmed Aboutaleb, door hem neergezet als bruggenbouwers met een gematigde toon (ze maken zich sterk voor de rechtsstaat, maar spreken met respect over de islam), ook door radicalen bedreigd worden, is volgens Sjoerd geen wonder, want “zij zouden de ‘hypocrieten' wel eens aan hun zijde kunnen krijgen en dat maakt ze in de ogen van extremisten nog gevaarlijker dan excentriekelingen als Van Gogh, die ‘ritueel’ kunnen worden afgeslacht.” Ik betwijfel sterk of de dreigementen aan hun adres wel serieus te nemen zijn (minder serieus in ieder geval dan de dreigementen aan het adres van Ehsan Jami, wiens fysieke correctie Sjoerd de gekscherende opmerking ontlokte dat “als Tjibbe Joustra nodig is om ons te beschermen tegen een 17-jarige met losse handjes, de ondergang inderdaad nabij [lijkt]”). Dat extremisten hen als mogelijke doorkruisers van hun snode plannen zouden zien, is helemaal absurd –Aboutaleb geldt hoogstens als een verrader, maar aangezien hij nog steeds moslim is, als een heel wat minder verachtelijke verrader dan Jami.

Ook Sjoerd haalt de mythische gematigde (in zijn terminologie gewone) moslim weer van stal. Niet dat deze niet bestaat, maar hij is evenals de radicaal-activistische moslim ver in de minderheid. De gewone moslim is niet zozeer gematigd, maar vooral onwetend over de ware aard van de islam. Hoe die aard waarlijk is, werd laatst weer eens helder uit de doeken gedaan (in het boek Islam and Modernism) door Muhammad Taqi Usmani, een vooraanstaand shariadeskundige, die 20 jaar lid is geweest van het Pakistaanse hooggerechtshof. Hij betoogt dat moslims vreedzaam moeten leven in landen als Engeland, waar ze hun religie vrijelijk kunnen praktiseren, tot ze machtig genoeg zijn om de (gewapende) strijd aan te gaan. “His views explode the myth that the creed of offensive, expansionist jihad represents a distortion of traditional Islamic thinking”, is de conclusie die op de website van de Britse krant The Times wordt getrokken. Hij verwerpt de opvatting dat jihad een louter defensieve plicht voor moslims is als een islamitisch land wordt binnengevallen, of als de islam wordt onderdrukt. Jihad is ook volstrekt acceptabel in een niet-islamitisch land waar moslims alle vruchten van de godsdienstvrijheid kunnen plukken. In zijn boek geeft hij liberale moslims die de koran als een 'poëtisch en metaforisch' boek voorstellen er flink van langs. Zij zijn, zo stelt hij, 'behekst' door de westerse cultuur en ideologie.

Usmani is allesbehalve een radicale extremist: hij is een van de meest vooraanstaande kenners van de ‘pure’ islam. Hij vertegenwoordigt de Deobandi-stroming in de Aziatische islam, nauw verwant met het Saoedische Wahhabisme en inspirator van o.a. de Taliban. Het feit dat 600 van de 1400 Britse moskeeën en 17 van de 26 islamitische seminaries in handen zijn van de Deobandi geeft zeer te denken. Op het vasteland van Europa neemt het Wahhabisme een soortgelijke positie in. Het is dan ook ontstellend wereldvreemd om te geloven dat het de onverzoenlijke toon van westerse islamkritiek is die moslims in de armen van de radicalen drijft en niet de onophoudelijke haatpreken van de geestelijken uit deze stromingen (die maar al te vaak gefaciliteerd worden door nuttige linkse idioten).

Mensen als Sjoerd, die het naïeve geloof uitdragen dat het allemaal wel in orde komt als we maar een beetje respect hebben voor de lange tenen van moslims, vragen zich nooit af waarom autochtone Nederlanders een groep mensen in hun midden zouden moeten dulden die op geen enkele wijze bijdraagt aan hun welvaart en welzijn. Het enige wat ze altijd te berde brengen is dat die moslims nu eenmaal in ons land zijn en vrijwillig niet meer weggaan. Als door een wonder uit de koker van Allah (omdat die bijvoorbeeld zijn slaafjes liever overzichtelijk bij elkaar heeft) morgen alle moslims weer in het land van herkomst neergepoot zouden zijn, zou onze economie dan instorten, zouden er veel mensen zijn die hun afwezigheid betreuren? Ik denk het niet. Sterker nog, ik weet zeker dat niet alleen de overgrote meerderheid van de autochtone Nederlanders maar zelfs menige linkse scribent een zucht van verlichting zal slaken, zo niet dansend door de straten zal gaan. Waarom dan die hypocrisie? Persoonlijk heb ik geen enkele behoefte de levenskwaliteit van moslims te verbeteren, of hen te helpen zich te emanciperen. Dat doen ze zelf maar, in het land waar ze vandaan zijn gekomen.

Sjoerd beweert dat voor veel islamcritici het parool Liever Polariseren Dan Islamiseren geldt. Ik hoop dat hij gelijk heeft: ik onderschrijf deze stelling in ieder geval van harte. Het probleem van het islamdebat in Nederland is niet dat het te hard is, maar dat het niet hard genoeg is. Het is noodzakelijk dat moslims zodanig door ‘mokerslagen van kritiek’ worden gebeukt dat ze het taqiyya-masker afwerpen en hun ware gezicht laten zien. Met bij voorkeur het gevolg dat al die vredig doezelende Nederlanders dan eindelijk eens wakker worden geschud, want als de multiculturele ellende die symptomatisch is voor onze prachtgetto’s uiteindelijk ook hun provinciestadjes en Vinex-wijken binnenklotst en ze de realiteit niet langer kunnen ontkennen is het te laat. Het is verstandiger nu de onvermijdelijke confrontatie aan te gaan dan over enkele decennia, als de moslims in de meerderheid zijn, voor ons naakte bestaan te vechten.

Inderdaad, ik ben de Nederlandse moslims liever kwijt dan rijk. Ik heb het niet zo op immigranten die mij hinderen of voor de voeten lopen, en al helemaal niet op immigranten die van mening zijn dat mij als atheïst de kop afgehakt dient te worden. Ik acht de westerse beschaving niet zo superieur dat achterhaalde ideeën niet aangepast zouden dienen te worden: het principe van tolerantie ook voor de intoleranten voorop. Waarom zou de Nederlandse samenleving geen strenge voorwaarden mogen stellen aan mensen die hier alleen zijn gekomen om van onze door hard werken verworven welvaart te profiteren? Waarom zou ze niet mogen eisen dat moslims de religieuze ideeën die strijdig zijn met de grondslagen van onze gemeenschap opgeven? Tot de moslims in Nederland hun leven aanzienlijk gebeterd hebben, of beseft hebben dat ze in hun oorspronkelijke islamitische paradijs beter op hun plek zijn, zal ik mijn toon zeker niet matigen.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

woensdag, juni 06, 2007

De crisis in de PvdA.

(1) Analyses en commentaren van partij-ideologen en een betrokken buitenstaander.

Voor de PvdA zijn de Tweede Kamerverkiezingen van november 2006 op een enorme deceptie uitgelopen. Door het beleid van het vorige kabinet leken de stemmen van dissidente CDA-ers en andere gedesillusioneerden voor het oprapen te liggen, maar de kans voor open doel kon niet worden verzilverd. Van een verkiezingstriomf was geen sprake, in plaats daarvan liepen de vroeger hondstrouwe autochtone kiezers (mijn bejaarde ouders incluis) massaal over naar de SP. De voorziene 60 zetels smolten weg tot nauwelijks de helft. De paniek sloeg toe in de PvdA. De ene analyse van de nederlaag na de andere zag het licht.

In de bundel Verloren Slag ontwaarden René Cuperus en Frans Becker van de Wiardi Beckman Stichting een partij in een ‘ongemakkelijke spagaat’, die (in de woorden van Wouter Bos) “uiteen getrokken wordt tussen links en midden, tussen hoog opgeleid en laag opgeleid, tussen allochtoon en autochtoon, tussen bestuurders en bestuurden, [maar] vooral tussen mensen die vrezen te verliezen bij globalisering en migratie en mensen die er baat bij hebben”. De meeste bijdragen weten de teleurstellende resultaten aan de slechte verkiezingscampagne.

Wouter Bos bleek op zijn website weinig gecharmeerd van de analyses in bovengenoemde bundel. Het creëren van een ‘spagaat’ was naar zijn mening juist de bedoeling geweest van degenen die de partij in 1946 oprichtten (om voldoende draagvlak te creëren voor solidariteit en de emancipatie van achtergestelde groeperingen) en de nederlaag terugvoeren op een slechte campagne vond hij te simplistisch.

Hij erkende dat door de multiculturele achterban juist in de PvdA “grote verschillen aan het licht kunnen komen over onderwerpen als globalisering, migratie en Europa”. Ook het feit dat “de PvdA bij uitstek de partij is waarbinnen allochtonen en allochtone politici een deel van hun emancipatie-proces doormaken” kan leiden tot “heftige discussies en dilemma’s over alles wat te maken heeft met integratie en migratie”. Hij betoogde dat de partij de aanwezigheid van zoveel allochtonen in de achterban moet beschouwen als een kracht en vleide zich met de hoop dat dit de partij in staat zou moeten stellen “om eerder en beter dan wie ook de grootsteedse integratieproblematiek aan te pakken, juist omdat wij daarvoor draagvlak bij autochtonen en allochtonen moeten kunnen verwerven”.

Om de crisis te boven te komen moet de PvdA meer zelfvertrouwen tonen en vooral meer investeren in ‘het verhaal’: “Een stevig verhaal over integratie waarbij we hoge eisen stellen aan migranten maar ook aan de ontvangende samenleving. Een visie op de verzorgingsstaat waarbij nadrukkelijk naar Scandinavische voorbeelden wordt gekeken en fors wordt gedecentraliseerd. Een herinrichting van de publieke sector waarbij maatwerk en kwaliteit leidend zijn in plaats van bureaucratische gelijkheid. Een eigen verhaal over normen en waarden waarin de Aboutalebiaanse versie van respect centraal staat en waarin onderkend wordt dat er grote groepen burgers in ons land zijn die baat hebben bij een gezonde portie paternalisme omdat ze anders niet mee komen.”

Jacques Monasch, campagneleider tijdens de mislukte verkiezingscampagne van Ad Melkert in 2002, kwam met het manifest Zeven nieuwe veren, zo kan het niet langer met de PvdA, waarin hij ervoor pleitte dat de echte sociaal-democraten de regie weer in de hand nemen en de ‘liberalen en mandarijnen’ naar de achtergrond schuiven. Hij propageerde een aantal zaken die het goed doen bij de overlopers naar de SP en sommige Wilders-aanhangers, zoals het beperken van de topinkomens, het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek, het opgeven van het tweede paspoort door bestuurders en kamerleden, het sluiten van de grenzen voor Poolse werknemers en een minder autovijandig vervoersbeleid en hij beweerde brede steun te hebben in de partij, o.a. bij een deel van de Tweede Kamerfractie.

Het langverwachte rapport van de Commissie Vreeman (onder de al even veelzeggende titel De Scherven Opgeveegd) verhulde niet dat er op vele terreinen grote fouten zijn gemaakt de afgelopen jaren en constateerde “dat de PvdA gebukt gaat onder een onvoltooid proces van inhoudelijke vernieuwing (resulterend in een inhoudelijk tekort), een onduidelijke identiteit en een tekortschietende regie, vooral in campagnetijd”.

Het rapport gaf een uitputtende opsomming van de fouten en zwakheden van de partijorganisatie, het verkiezingsprogramma en de campagne. [Opmerkelijk genoeg was men behoorlijk kritisch over de media, die zich niet voldoende hadden ingespannen om de partij op zijn voordeligst over het voetlicht te brengen, ondanks het feit dat de meeste journalisten van linkse signatuur zijn]. Verder onderkende de commissie verschillende negatieve ‘contextfactoren’: alle tot compromis bereide partijen hadden verloren, ten voordele van radicalere ‘flankpartijen’; voorstanders van de EU-grondwet hadden verloren, ten voordele van de tegenstanders –toevallig dezelfde partijen; de economie herstelde zich en de SP maakte zich schuldig aan ‘electoraal opportunisme’. In het rapport werd toegegeven dat de ‘traditionele achterban’ zich minder aangesproken voelt door de partij en dat ook de band met de ‘creatieve elite’ minder innig is dan voorheen. Waarom dat het geval is, vroeg men zich echter niet af.

Het rapport kwam met 10 ‘opdrachten’ aan de partij, die vrijwel allemaal betrekking hadden op de organisatie en de campagnestrategie en die eindigden met lauwe aanbevelingen als “versterk waar we sterk in zijn” en “beoefen politiek met passie”. Men had overduidelijk geen enkele lering getrokken uit de ‘contextfactoren’ die de PvdA zoveel stemmen hebben gekost (men had bijvoorbeeld de partij aan kunnen raden wangedrag van allochtonen niet langer met de mantel der misplaatste liefde te bedekken en afstand te nemen van de blinde Eurofilie waaraan ze zich de afgelopen decennia bezondigd heeft). De groeiende tegenstellingen tussen de allochtone en autochtone ‘minder bedeelden’ zijn niet echt tot het radarscherm doorgedrongen. Het rapport sprak wel eufemistisch van “de nieuwe sociale kwestie”, maar het feit dat de commissie als oplossing alweer met nietszeggende algemeen-heden kwam (“bindend leiderschap” en “het overeind houden van de solidariteit”) bewijst dat men niets van de diepte van de kloof begrepen heeft.

Waarom de verhouding met de ‘creatieve elite’ zo te lijden heeft gehad, werd door de bekende schrijver Joost Zwagerman bekwaam uiteengezet in een artikel in de Volkskrant (26-5-2007). Hij biechtte dat hij bij de verkiezingen van november 2006 met ‘lood in de schoenen’ naar het stemhokje was getogen en met ‘gêne en tegenzin’ toch maar weer op de PvdA had gestemd -en hij was niet de enige. De partij is naar zijn mening onmiskenbaar op het verkeerde spoor. Hij citeerde met instemming de ‘profetische’ woorden van Renate Rubinstein tijdens haar Huizinga-lezing van 1980:

Hoe loffelijk het is om je links te noemen, merkte je na de verkiezingen van dit jaar. De mensen die, ondanks al hun bezwaren, op onze grootste linkse partij hadden gestemd getuigden daar triomfantelijk, zij het ook met een glimlach van zelfspot, van. Het was alsof ze zeggen wilden dat ze ondanks alles fatsoenlijke mensen gebleven waren. Ze geloofden niet meer, maar waren toch ter kerke gegaan. Want nette mensen zijn een beetje lui en vinden het fanatiek om een partij af te vallen alleen omdat ze het er niet meer mee eens zijn….
Links is bij ons allang de dikste zuil van het ideeënestablishment geworden en dat is een ontwikkeling die zich bij oude mensen in de loop van hun eigen leven voltrokken heeft en waar sommigen van hen, rebels als ze geacht willen worden, niet aan hebben kunnen wennen.

Hierop voortbordurende concludeerde Joost dat de ‘rebellen’ van Nieuw Links, die voor anti-autoriteit en een radicaal nieuwe verdeling van de machtsstructuren ageerden, zijn ‘gestold’ tot ‘mastodonten’ van publicisten en bestuurders en zijn verworden tot de ‘reactionairen van oud-links’. Dat heeft uiterst negatieve gevolgen gehad, o.a.: “de hardnekkige weigering om morele vragen te durven stellen (het zogeheten normen-en-waardendebat); de kwestie van de multicultuur; en de huidige onttakeling van het onderwijs”. Hij verwijt niet alleen de PvdA, maar de hele links-liberale elite, dat men niet beseft heeft dat “onze vrijheden te lang en te indringend hebben liggen weken in een onwelriekend badje van onverschilligheid en eigenrichting” en dat “daardoor veel individuele en collectieve vrijheden [zijn] ontspoord tot individuele of collectieve intimidaties in het publieke domein". De grootste slachtoffers van deze kortzichtigheid en onverschilligheid zijn “nieuw ontstane groepen van sociaal zwakkeren” die “door links jarenlang ofwel genegeerd ofwel zelfs gekleineerd" zijn. Hoewel de groep zwakkeren ‘amorf’ en uit alle geledingen van de samenleving afkomstig is, rekende hij hier in de eerste plaats de “directe slachtoffers van de tirannie van de straat, uitgevoerd door autochtoon en allochtoon” toe.

Ik kan zijn analyse grotendeels onderschrijven en ik vind het sympathiek dat hij gekweld wordt door een “hardnekkige schaamte over [de] morele verdooldheid op links”. Hij ontkende echter stellig dat hij neoconservatief geworden is en hij toonde zich nog net politiek correct genoeg om niet te vermelden dat het overgrote deel van de slachtoffers van de ‘tirannie van de straat’ autochtonen en het overgrote deel van de ‘tirannen van de straat’ allochtonen zijn. Ook in zijn oplossing voor de crisis, “een niet-vrijblijvende toenadering tussen linkse partijen”, heb ik weinig fiducie.

De verklaring voor de teloorgang van de PvdA is in feite zo simpel als wat: de partij heeft haar traditionele achterban aan de onderkant van de samenleving verraden en die heeft nu op haar beurt de partij de rug toegekeerd. In de aanhang van de PvdA zijn altijd twee vleugels te onderkennen geweest: de progressieve intellectuelen (de ‘doctorandussen’) en de gewone arbeiders. De meeste doctorandussen zijn vooralsnog gebleven (aangezien velen van hen zijn doorgedrongen tot de zelfingenomen club van de ‘verambtelijke’ PvdA-bestuurders is dat niet verwonderlijk), dus het zijn vooral de arbeiders die de partij links hebben laten liggen. De cruciale fout van de partij was dat de partijorganisatie en de intellectuele aanhang zich volledig gecommitteerd hebben aan het multiculturele ideaal, wat is uitgemond in een stuitende bevoogding en bevoordeling van allochtonen (die immers nog veel zwakker en zieliger zijn dan de autochtone arbeiders). Terwijl de oude sociaal-democraten ernaar streefden de arbeidersklasse te verheffen (bijvoorbeeld door het bestrijden van alcoholmisbruik en het stimuleren van culturele participatie), zijn de nieuwe socialisten veel te druk met het ‘respecteren’ van de achterlijkheid van de allochtonen.

Men is er voetstoots van uitgegaan dat de allochtone en autochtone onderklassen dezelfde belangen hebben en waar dit niet het geval bleek, moesten de autochtonen zich maar aanpassen. De bewoners van de oude wijken, die de zegeningen van de 'multiculturele verrijking' aan den lijve ondervinden, worden als ze zich beklagen over verloedering en straatterreur weggezet als xenofoben en racisten, die zich laten leiden door 'onderbuikgevoelens'. [Ten aanzien van kritische intellectuelen, die de lessen van de geschiedenis geleerd hebben en die al evenmin overtuigd zijn van de zegeningen van de multicultuur –HVV-ers en geestverwanten zullen we maar zeggen- geldt hetzelfde.] De PvdA is niet alleen een uitgesproken voorstander van de diversificatie van de samenleving, maar tevens van het doordenderen van de integratie van Europa en maakt zich bovendien niet erg druk over de globalisering van de economie. Standpunten die de autochtone arbeiders, bang voor de verdere islamisering van hun buurt en bang voor het verlies van hun baan, steeds minder kunnen waarderen.

Wouter Bos gelooft dat men met het ‘PvdA-verhaal’ de problemen van Nederland op kan lossen en dat, als het verhaal maar goed doortimmert is en met verve gebracht wordt, de kiezers vanzelf wel terug zullen keren. Spijtig voor je, beste Wouter, maar dat is toch echt een sprookje.

(2) De eerste socialistische ratten maken aanstalten het zinkende multiculturele schip te verlaten.

In een reactie op een internetcolumn werd onlangs beweerd dat driekwart van de Nederlanders voorstander van de multiculturele samenleving is, omdat ze bij de laatste verkiezingen hadden gestemd op partijen die voorstanders van de multiculturele samenleving zijn. Wat een onzin. Het zou me niets verbazen als bij een referendum over dit onderwerp een ruime meerderheid van de autochtone Nederlanders zich zeer sceptisch over de multiculturele hersenschim zou tonen. Op welke partij ze (nu nog) stemmen zegt wat dit betreft niet veel. Slechts een minderheid van de kiezers heeft werkelijk verstand van politiek. Velen stemmen uit gewoonte op een partij, of omdat ze enkele programmapunten (vooral zaken die de toekomstige staat van de eigen portemonnee betreffen) aantrekkelijk vinden. Vaak kennen ze de standpunten van hun uitverkoren partij over controversiële onderwerpen nauwelijks (daarom kwam de uitslag van de Stemwijzer voor velen ook als een verrassing) en sommige partijen willen dat graag zo houden. Er heeft niet voor niets tijdens de verkiezingscampagne zo’n oorverdovende stilte gehangen rond onderwerpen als immigratie en integratie (wat ik ook de PVV, die krampachtig probeerde geen one issue partij te lijken, verwijt). Feit is niettemin, dat de partijen bij wie de multicultuur en de EU hoog in het vaandel stonden (Partij van de Allochtonen, GroenSlinks en Dhimmi66) spectaculair verloren hebben en dat het percentage allochtonen onder hun aanhangers fors gestegen is: een teken aan de wand dat de uittocht van de autochtone kiezers begonnen is.

Hoewel de meeste prominente PvdA-ers nog steeds met een grote boog om de hete multicultibrij heen lopen, begint een aantal van hen, waarvan sommigen voorheen tot de felste verdedigers van het multiculturele harmoniemodel behoorden, toch enige vraagtekens te zetten bij het tot nu toe gevoerde beleid. Met name in Amsterdam rommelt het onheilspellend. Op de website van de PvdA in deze stad zijn momenteel behoorlijk onorthodoxe geluiden te horen, o.a. van webmaster Marcel Duyvestein. [“Ik dacht dat ik lid was van een seculiere partij. Een partij die iets met emancipatie deed. Een partij waar je vrij mag denken. Maar nee.” ] Er is zelfs door een commissie onder leiding van Ed van Thijn een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken in het stadsdeel Zuidoost, waar de corruptie welig tiert (want ook onze voormalige rijksgenoten kunnen er wat van). Deelraadvoorzitter Elvira Sweet (twee maal onder invloed achter het stuur aangetroffen) wordt weliswaar niet ter verantwoording geroepen (omdat de in 2005 aangenomen integriteitscode nog geen ‘gemeengoed’ in de partij was toen ze haar zucht naar drank niet kon bedwingen), maar heeft wel te verstaan gekregen dat “ook in dit deel van Amsterdam normale normen en waarden gelden”.

Onverschrokken moslimknuffelaar Job Cohen brak, met frisse tegenzin, de onderhandelingen met Milli Görüs over de bouw van de Westermoskee af. Betrokkenheid bij grootscheepse oplichtingspraktijken en banden met de Moslimbroederschap hadden hem niet af kunnen schrikken, maar het dreigement van de nieuwe voorzitter Fatih Dag om Turken uit heel Europa op te trommelen om tegen het afblazen van het project te protesteren, waarbij geweld niet werd uitgesloten, bood hem een welkome mogelijkheid om het strijdtoneel zonder al te veel gezichtsverlies te verlaten -net voor bekend werd dat Amsterdam de bouw op achterbakse wijze met twee miljoen euro had gesubsidieerd. In een interview met de Telegraaf (!) erkende hij ten langen leste bovendien dat er veel Marokkaanse jongeren zijn die voor overlast zorgen en dat het zo niet langer kan: “Ik wil als het echt mis is maatregelen kunnen nemen in de gezinnen, bijvoorbeeld het uit huis plaatsen van kinderen en die naar een internaat sturen. Er is een groep in Amsterdam waar het niet goed mee gaat en daar moet echt iets mee gebeuren. Instanties als jeugdzorg en de kinderbescherming kijken naar het belang van het individu en niet naar de overlast die ze veroorzaken.” Hij wil de schade die deze jongeren veroorzaken gaan verhalen op hun ouders: "De gemeente neemt daarin het voortouw om de slachtoffers die rompslomp te besparen. En ik wil daar ver in gaan. Alle mogelijkheden die we hebben om daders financieel aan te pakken wil ik gebruiken. Ouders moeten zich verantwoordelijk gaan voelen en door hen in hun portemonnee te pakken moet er een omslag komen." Hij toonde zich zelfs een voorstander van herinvoering van de dienstplicht, met name voor jongens die maar niet willen deugen. Veel vertrouwen dat Job echt het licht heeft gezien koester ik niet. Zoals Ebru Umar suggereerde: hij zal zijn twijfels wel door een gehaaide voorlichter ingefluisterd hebben gekregen.

Wethouder Lodewijk Asscher wierp zijn jaren gekoesterde oogkleppen plotsklaps eveneens af. In een interview in de Volkskrant gaf hij toe dat aantal recente ervaringen hem ‘geschokt’ hadden. Op een basisschool in Amsterdam-Noord durfden leerkrachten geen les meer te geven over het leven op de boerderij, omdat moslimleerlingen de klas afbraken als het onvermijdelijke varken ter sprake kwam. Een Marokkaanse vrijwilliger, die uitstekend werk deed en wel 50 ‘enorme lastpakken’ van de straat had gehaald, moest ervaren dat zich naast hem een welzijnsorganisatie vestigde, die probeerde deze jongeren naar hun kaartenbakken over te hevelen: ze leveren per stuk namelijk 4000 à 6000 euro op. In het stadsdeel Slotervaart resideert een Turks eenoudergezin met 10 kinderen, de helft crimineel, waar 35 hulpverleners over de vloer komen. Lodewijk leek dan ook helemaal om: hij pleitte voor een ouderlijke 'opvoedplicht' (met als sanctie eventueel een korting op de kinderbijslag) en hij erkende dat “met de bestaande ‘welzijnsindustrie’, waar … veel tijd en geld verloren gaat aan bureaucratie, en waar het elkaar voor de voeten lopen eerder regel dan uitzondering is, het immense probleem van de falende opvoeding niet [kan] worden opgelost”. Natuurlijk vertelde hij er niet bij dat die welzijnsindustrie wordt beheerst door PvdA-handlangers en hun vriendjes.

Ook in den lande is hier en daar kritische taal te horen. Tweede Kamerlid Samira Bouchibti (voorheen Abbos) hield de Marokkaanse gemeenschap voor dat het hoog tijd wordt de hand in eigen boezem te steken: “Klagen over tegenwerking en discriminatie, over de uitlatingen van Wilders, het mag en het moet. Maar misbruik dit niet om jezelf vrij te pleiten van je eigen verantwoordelijkheid. Ik stoor me ook aan de verharding van het klimaat, aan islamisering en islamofobe mensen en ik zal altijd strijden tegen discriminatie. Maar het is nu aan ons. Wij moeten laten zien dat wij wel degelijk deugen en dat het niet aan de cultuur of onze ’achterlijke’ religie ligt. Luister naar je hart, dat je precies vertelt wat goed en wat kwaad is.” Laten we hopen dat ze haar wijze woorden ter harte nemen.

Filmmaker Eddy Terstall leverde ongezouten kritiek op de koers van de PvdA in een lezing voor de New Yorkse (!) afdeling van de partij: “Soms voel ik me bij de PvdA als een neger in de Ku-klux-klan. De VVD haalt de PvdA soms links in. En dat komt omdat de neplinkse bloedgroep weer in de zelfde blinde soort roes terecht is gekomen als waarin het ooit de DDR boven de Bonds-republiek prefereerde. En Oh, wat kon die Mao toch ver lopen en zwemmen, en wat hadden zijn volgelingen toch een leuke onzijdige blauwe pakkies aan. Dat soort tralala-linksen, zonder werkend moreel kompas, babbelt nog steeds her en der mee en brengt het progressieve gedachtegoed en de multiculturele samenleving ernstige schade toe.” Hij hekelde het anti-Amerikanisme, het “haatzaaien door onzorgvuldigheid”, de “Pawlow-reactie” jegens Geert Wilders. Hij speelde zelfs met de gedachte te verhuizen naar een ‘echt progressieve partij’ als de PvdA niet snel bijdraait. Want: “Mensenrechten en gelijkheidsprincipes mogen het nooit afleggen ten opzichte van irrationele doctrines van ongelijkheid. Jammer voor de cultuurrelativisten, maar hoe krom ik in het kader van pappen en nathouden zou willen denken, iets anders kan ik er niet van maken. Ik ben nu eenmaal links.”

Hoewel ik niet links -en zeker niet neplinks- ben, had ik Eddy bijna aan het hart gedrukt. Tot bleek dat hij zich als een "halve stasi" voor het partijkarretje had laten spannen en pogingen had gedaan om het jonge raadslid Ehsan Jami, oprichter van een comité van ex-moslims en islamcriticus zonder blad voor de mond, ‘ideologisch in te kapselen’. Op aanstichten van kamerleden Wolfsen en Vos probeerde hij Jami ertoe te bewegen “zijn bewoordingen zorgvuldiger te kiezen”; “zich minder openlijk te associëren met (hoofdzakelijk) witte mannen in de grachtengordel” en rekening te houden met het feit dat “voor een deel van onze achterban principes aangaande deze materie (zoals in grondwet en partijprogramma) (nog) niet vanzelfsprekend zijn”.

In Jami’s comité van aanbeveling zitten vertegenwoordigers van meerdere linkse partijen, maar niet van de PvdA en hij ontving enkele zeer boze mails van allochtone PvdA-bestuurders en –leden. Hun autochtone tegenhangers zijn voornamelijk beducht dat hij vrome moslims voor het hoofd stoot en dat dit de partij, net als de Armeense kwestie, stemmen gaat kosten. De nieuwe geluiden klinken dan ook bepaald niet vanwege bekommernis met het lot van de (vroegere) autochtone achterban in de achterstands- (pardon pracht-)wijken, maar uit puur electorale motieven. Men hoopt de deserteurs terug te winnen door hen in te prenten dat er geen andere oplossing voor de huidige ellende is dan het PvdA-recept voor integratie.

Annelies van der Veer verhaalde onlangs op de website Hoeiboei hoe ze er de laatste jaren een gewoonte van heeft gemaakt autochtone zestigplussers (meest vrouwen) aan te spreken, die meestal niet veel aanmoediging nodig hebben om hun hart te luchten over de zegeningen van de multiculturele samenleving. “Er zou een boek mee gevuld kunnen worden, een boek met verhalen die recht uit het hart komen en die niet racistisch van aard zijn maar die aantonen hoe, wat er en wanneer het fout is gegaan in Nederland qua immigratie- en integratie-politiek. En de schrijnende gevolgen daarvan. Het zijn ervaringen van doorsnee Nederlanders die niet zo zeer geïnteresseerd zijn in politiek (of religie) maar die dondersgoed in de gaten hebben wat er gaande is, en dan valt het woord 'islam' niet eens.” Vroeg ze haar gesprekspartners echter of ze wel eens iets doen met hun ervaringen, dan lieten ze mismoedig het hoofd hangen, want ze “kunnen en/of durven er niets van te zeggen, er niets tegen te doen”.

Maar, zoals iemand in een reactie opmerkte: “je kunt natuurlijk ook heel cynisch stellen dat [dit] de generatie is die het probleem heeft gecreëerd en die gewoon als vanouds PvdA en CDA blijft stemmen”. Het wordt dan ook hoog tijd dat het Nederlandse 'stemvee' beseft dat de meeste politieke partijen nauwelijks principes hebben, alleen een zucht naar macht. Politici verstaan maar één taal: die van het stemhok. Er is niets dat de hersencellen zozeer in trilling brengt als een flinke nederlaag. De autochtone kiezers hebben de macht om islamofiele partijen van het politieke toneel te vagen (en van die mogelijkheid kunnen ze maar beter gebruik maken zolang ze nog in de meerderheid zijn). Ze hoeven alleen maar op te komen dagen bij de verkiezingen, zich te laten leiden door de juiste motieven en hun verstand te laten spreken. Het doek zal dan heel snel vallen voor de PvdA en de rest van de dhimmi-elite.

Dit stuk is ook te vinden op de website Het Vrije Volk: deel 1; deel 2.

vrijdag, maart 02, 2007

Multiculturele indoctrinatie.

Reclames bieden vaak een onthullende kijk op de maatschappij. Dat het gif van de multiculturele ideologie is doorgedrongen tot in de wortels van onze samenleving wordt bewezen door een recente spot. Hierin maken we kennis met een volmaakt geassimileerde zwarte Nederlander. Hij is een fervent Oranjefan, schaatst ietwat wankelend maar onversaagd zijn rondjes op het (helaas tegenwoordig kunstmatige) ijs, draait zijn mond niet om voor het verorberen van een zoute haring en zit ’s avonds innig tevreden achter een dampend bord kruimige aardappels, gehakt en bloemkool met een melksausje. Zijn meewarig ogende blonde echtgenote zet zichzelf en haar schoonfamilie liever roti voor. Natuurlijk is het er de reclamemakers uitsluitend om te doen zoveel mogelijk pakken zelfmaakroti te verkopen, maar de impliciete boodschap is duidelijk: een allochtoon die zich aanpast aan de Nederlandse gewoonten is een lachwekkende sukkel, een Nederlandse die zich stort op het voedsel van immigranten heeft het helemaal begrepen. Zelfdepreciatie is een essentieel onderdeel van de multiculturele ideologie –voor westerlingen tenminste.

De bedoelingen van de makers van de reclameserie 'op initiatief van verschillende mensen' zijn heel wat minder impliciet. In het kader van de actie &.nl worden we doodgegooid met filmpjes die de multiculturele samensmelting verheerlijken. De toonbeelden van harmonie worden zogenaamd aangedragen door de betrokkenen zelf. De blijde boodschap is dat we er zelf zoveel beter van worden als we de nieuwe heilsleer volgen. De winkel van de multiculturele slager barst uit zijn voegen, de multiculturele handelaar in auto-onderdelen is binnen vijf jaar wel 25% gegroeid door de “dynamische sfeer” die er in het bedrijf heerst (zoals een gebrekkig Nederlands sprekende medewerker ons wil doen geloven) en 70% van de deelneemsters aan een multicultureel vrouwenclubje zijn doorgestroomd naar een betaalde baan. Dit zijn enkele van de sprookjes die ons vrijwel dagelijks worden voorgeschoteld, want als een leugen maar groot genoeg is en maar vaak genoeg herhaald wordt (en een van de grootste leugens is dat immigratie goed is voor onze economie), zijn er altijd mensen die erin gaan geloven. De campagne is vorig jaar van start gegaan en behalve van reclames bedient men zich van sectorbijeenkomsten, evenementen, prijsuitreikingen en ambassadeurs (vertegenwoordigers van de politieke, economische en culturele ‘elite’, zoals Doekle Terpstra, Eelco Brinkman en Ans Marcus). De vraag door wie dit allemaal betaald wordt, zal wel onbeantwoord blijven.

Onze christelijk-socialistische regering heeft ‘de boel bij elkaar houden’ door het opheffen van achterstanden gepromoveerd tot haar voornaamste doelstelling. Ik kan niet anders zeggen dan dat ze hun geld inzetten waar hun mond is. Helaas komt een onevenredig deel van de extra uitgaven (voor onderwijs, probleemwijken, e.d.) ten goede aan de ‘allahtonen’, terwijl de extra benodigde belastinggelden voor een onevenredig deel geroofd worden uit de zakken van de autochtonen. Om te voorkomen dat zelfs de eigen achterban zich gaat verzetten, wordt de druk om zich tot het multiculturele geloof te bekeren steeds groter. De voorgangers in de multiculturele kerk bedienen zich daarbij van een veelheid aan indoctrinatiemethoden, bijvoorbeeld:

(1) Het verzwijgen en verhullen van de waarheid.
Wetenschap en journalistiek gaan hierbij hand in hand met de politiek. Beide sectoren worden gedomineerd door de erfgenamen van het revolutionaire elan van de jaren zestig, die de marxistische idealen nog altijd hoog in het vaandel hebben (voor hen geldt het adagium ‘komt links op, gaat rechts af’ duidelijk niet). Wetenschappers laten problemen die om onderzoek schreeuwen links liggen, of weigeren onaangename uitkomsten te publiceren. De weinigen die zich van de politiek correcte cultuur niets aantrekken worden door hun vakgenoten verketterd of monddood gemaakt. Voor journalisten is objectiviteit een vies woord geworden. Minderheden mogen vooral niet ‘gestigmatiseerd’ worden. Het weglaten van onwelgevallige informatie is usance geworden, nieuws en opinie worden tot een onuitwarbare kluwen ineengevlochten en aan wederhoor hebben de meeste nieuwsgaarders tegenwoordig een broertje dood. Het verhullend taalgebruik viert hoogtij: zo worden de bewoners van onze hoofdstad niet langer belaagd door 'Kutmarokkanen', maar door 'Amsterdamse Rotjongens'. Een andere truc is de ’selectieve nuance’: het is opvallend dat bij gesneefde Palestijnen steevast vermeld wordt hoeveel vrouwen en kinderen er onder de slachtoffers zijn en bij Israëlische slachtoffers nooit (waarmee men de indruk probeert te wekken dat het hier louter brute militairen of perfide kolonisten betreft).

(2) Het ‘verbeeten’ van het publieke debat.
De propagandisten van de multiculturele ideologie hebben liever niet dat de problemen van de multiculturele samenleving openlijk bediscussieerd worden. Maar, zoals de reactie op de dictatoriale ingreep van Kamervoorzitter Gerdi Verbeet tijdens het debat over de nieuwe regeringsploeg bewees, de publieke discussie laat zich dankzij het internet niet meer zo gemakkelijk smoren. Niet dat de politiek zich van de uitkomsten iets aan zal trekken: 60% van de Nederlanders mag dan tegen het bezit van een dubbele nationaliteit door gezagsdragers en volksvertegenwoordigers zijn, meer dan 90% van de Kamerleden zal een eventuele motie van de PVV over deze kwestie verwerpen. De politiek heeft namelijk twee belangrijke lessen geleerd van het kiezersgedrag in de afgelopen jaren: (a) als men het volk een oordeel laat uitspreken over een politieke kwestie, dan kan de uitkomst wel eens niet de gewenste zijn (het referendum over de Europese grondwet) en (b) als men de publieke opinie ignoreert en het stilzwijgen bewaart over meest fundamentele problemen in de samenleving, dan wordt men er electoraal niet voor afgestraft (de verkiezingen van november 2006).

(3) Het demoniseren van de ‘ongelovigen’.
Mensen die vraagtekens zetten bij de uitgangspunten van de multiculturele ideologie (zoals de gelijkwaardigheid van alle culturen) of bij de praktijk van het multiculturele samenleven, worden weggezet als xenofoben, racisten en neo-nazi’s. Zij ‘polariseren’, ‘gooien olie op het vuur’ en ‘drijven de gematigde moslims in de armen van de fundamentalisten’ volgens hun tegenstanders. De aanhangers van de multiculturele heilsleer weten vaak weinig of niets van andere culturen en religies en ze waken er angstvallig voor enige kennis te vergaren, want ignorance is bliss. In tegenstelling tot de meesten van hen weet ik wél waar ik het over heb en ik beschouw het stempel van ‘islamofoob’ dan ook als een geuzennaam.

(4) Het ondermijnen van de Nederlandse cultuur.
Voor je iets nieuws kunt creëren, moet de oude ballast uit de weg worden geruimd. Dus wordt de Nederlandse cultuur gebagatelliseerd en geridiculiseerd (er walmt volgens de multiculturelen een ‘spruitjeslucht’ van af) en eeuwenoude tradities worden met het groot vuil meegegeven. Zwarte Piet is door de politiek correcte maffia al in de ban gedaan (we moeten ons in het vervolg maar behelpen met ‘Regenboogpieten’) en Kerstmis zal wel snel volgen. Een nota bene christelijke vakvereniging was maar al te gaarne bereid een christelijke feestdag op te offeren voor het islamitische suikerfeest, maar men had gelukkig buiten de eigen leden gerekend. Ook onze geschiedenis is een bron van schaamte geworden, waarvoor wij ons eindeloos moeten verontschuldigen en waarvoor wij bij voorkeur boete moeten doen door het betalen van smartengeld aan de nabestaanden van degenen die onder onze 'wandaden' hebben geleden. [Persoonlijk zeg ik altijd tegen (dikwijls gemengdbloedige) Surinaamse Creolen die over de slavernij zeuren dat het niet mijn voorouders zijn geweest die slaven verhandelden en maltraiteerden, maar de hunne!]

Ook op de pagina’s van Het Vrije Volk vind je auteurs die het ‘absorberen’ van vreemde culturen propageren. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bekende trits van voedsel, muziek en kunst. Er zijn maar weinig propagandisten van de geneugten van de multicultuur die bij zo'n gelegenheid reppen over heel wat minder onschuldige zaken als religie en politiek systeem, terwijl daar natuurlijk het probleem ligt. Nederlanders zijn behoorlijk sceptisch als het om het absorberen van dit soort cultuurfacetten gaat: in een recente enquête bleek bijvoorbeeld tweederde van de ondervraagden van mening te zijn dat de islam niet verenigbaar is met het moderne Europese leven. Het propagandaoffensief is weliswaar in eerste instantie gericht op volwassenen, maar wil je een nieuwe religie werkelijk ingang doen vinden, dan moet je beginnen bij de jeugd. De ‘diversificatie’ van het onderwijs is dan ook voortvarend ter hand genomen. Het heeft nog niet zulke belachelijke vormen aangenomen als in Californië, waar leerlingen gedwongen worden wekenlang als moslim te leven en islamitische organisaties de geschiedenisboeken herschrijven, maar dat is slechts een kwestie van tijd.

Het westerse multiculturalisme wordt gekenmerkt door een bijna criminele naïviteit: men gelooft oprecht dat twee diametraal tegenover elkaar staande ideologieën (de westerse ideologie van vrijheid, gelijkberechtigdheid en democratie en de islamitische ideologie van onderwerping, ongelijkheid en theocratie) met elkaar te verzoenen zijn. Dat is een gevaarlijke illusie: hoe meer we onze principes verkwanselen, des te sneller komt onze ondergang nabij.

De geschiedenis heeft aangetoond dat een multiculturele samenleving alleen kan overleven bij de gratie van een sterk centraal gezag en een unificerende ideologie. Aangezien ons centrale gezag systematisch wordt ondermijnd door de EU en alleen westerlingen geloven dat er iets samen te binden valt, ziet de toekomst van Nederland, en alle andere (West-)Europese samenlevingen, er somber uit.

Dit artikel is ook te vinden op de website van Het Vrije Volk.