Posts tonen met het label sociale politiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sociale politiek. Alle posts tonen

woensdag, januari 19, 2011

De Founding Fathers draaien zich om in hun graf.

Na iedere keer dat er door een gek met een geweer een bloedbad is aangericht (zoals laatst weer in Tucson), gaat er een koor van stemmen op dat pleit voor het aan banden leggen van het privébezit van vuurwapens. En na iedere keer melden zich vrijheidslievenden die het vrije wapenbezit in Amerika verdedigen en het, zo vermoed ik, in Nederland willen invoeren. Onbegrijpelijk, want de argumenten van de voorstanders raken kant noch wal.

Guns don’t kill people, people kill people”, beweren schietgrage Amerikanen. Toegegeven, als je per se iemand wil vermoorden, heb je daar echt geen vuurwapen voor nodig. Je kunt het beoogde slachtoffer met de auto overrijden, hem een keukenmes in de buik planten, met een bijl de schedel kloven, rattengif voeren, of zelfs met benzine overgieten en in de fik steken. Echter, als je in korte tijd veel mensen naar de andere wereld wil helpen, gaat er toch niets boven een schietijzer. De Belgische psychopaat Kim de Gelder, die erop gebrand was zoveel mogelijk onschuldigen te vermoorden en die opzettelijk de meest weerloze slachtoffers (baby’s) uitzocht, kwam ondanks al zijn messengezwaai niet verder dan drie doden. Wil je werkelijk zoden aan de dijk zetten, dan zal je, zoals Seung-Hui Cho, Matti Saari en Tim Kretchmer, (semi-)automatische vuurwapens moeten inzetten.

Als alleen fatsoenlijke, verstandige en sobere burgers een vuurwapen in handen konden krijgen, zou er misschien iets te zeggen zijn voor het particuliere bezit ervan, maar het is onmogelijk gebleken schietijzers uit handen te houden van kinderen, dronkenlappen, depressievelingen, psychopaten en would-be criminelen. Elk jaar komen er in Amerika tientallen kinderen om het leven die met een rondslingerend vuurwapen spelen en zichzelf, een broertje, of een vriendje doodschieten. Elk jaar zijn er honderden levensmoede lieden die in een opwelling een revolver in hun mond duwen, terwijl ze zich vermoedelijk wel tienmaal bedacht zouden hebben als ze zich van een gebouw of voor een trein hadden moeten werpen. Elk jaar zijn er duizenden heethoofden die tijdens een ruzie een pistool trekken en het object van hun ergernis lek schieten, terwijl ze met een rake klap hun boodschap even duidelijk hadden kunnen overbrengen.

Mensen die een wapen dragen zijn veel eerder geneigd een wapen te benutten (dat geldt ook voor messen). De meeste wapendragers zijn jonge mannen, toch al niet bekend om hun weloverwogen handelen. De barrière tegen het doden van een medemens is hoger bij het gebruik van een mes dan bij het gebruik van een vuurwapen. Dat is veel onpersoonlijker. Je staat niet neus aan neus met je tegenstander. Je wordt niet bespat met zijn bloed.

Toen de Amerikaanse Founding Fathers het recht op het dragen van wapens in de grondwet opnamen, bestonden er alleen vuursteengeweren. Na het lossen van een schot duurde het een eeuwigheid voor een musket opnieuw geladen was. Tegenwoordig kan je met een automatisch geweer in dezelfde tijd tientallen omstanders neermaaien. Ik vermoed dat de vroede vaderen heel anders over the right to bear arms zouden hebben gedacht als ze dit hadden kunnen voorzien.

Natuurlijk hebben mensen het recht zichzelf, hun geliefden en hun eigendommen te verdedigen. Het bezit van een vuurwapen zal ze daarbij meestal weinig helpen, tenzij ze het schietklaar op hun heup dragen. Als een vrouw in haar woning door een seksmaniak wordt overvallen, zal ze echt niet in de gelegenheid worden gesteld haar vanwege de kinderen goed opgeborgen sierpistooltje te pakken. En hoewel ik het persoonlijk niet zo’n ramp zou vinden als een belaagde winkelier een jachtgeweer met afgezaagde loop van onder de toonbank vandaan zou trekken om de overvallers uit elkaar te rijten, ben ik bang dat schurken dan in het vervolg revolvers meenemen in plaats van messen en meteen gaan schieten in plaats van eerst te dreigen. Het aantal gewapende overvallen per 100.000 inwoners is in Amerika ook bepaald niet lager dan in Nederland, integendeel.

If guns are outlawed, only the outlaws will have guns”, menen de Hestons van deze wereld. Het zijn echter niet de beroepscriminelen die scholen, kantoren en politieke bijeenkomsten binnenvallen om een bloedbad aan te richten, maar ‘ietwat’ vreemde, teruggetrokken frustraten, van wie (bijna) niemand het verwacht had. Jammer genoeg geldt dat ‘the outlaws will always be able to outgun the good guys’. Een binnenlandse wapenwedloop is wel het laatste waar we behoefte aan hebben en bij een overval is het slachtoffer altijd in het nadeel, de eventuele bewapening ten spijt. Bovendien, een crimineel die aan schiettuig kan komen, kan ook een kogelvrij vest regelen.

De voorstanders van vrij wapenbezit geloven heilig dat daardoor bij een amokloper erger onheil kan worden voorkomen. Ze wijzen op het feit dat Virginia Tech het dragen van verborgen wapens binnen de instelling had verboden en slachter Cho 'dus' ongehinderd zijn gang had kunnen gaan. In een enkel geval zal dit misschien opgaan, maar meestal niet. Zouden er in de Columbine Highschool minder doden zijn gevallen als een van de leraren een pistool in zijn bureaula had gehad en op zoek was gegaan naar de aanvallers? Ik geloof er niets van. Zo’n proppenschieter had weinig uit kunnen richten tegen de automatische wapens van de moordlustige nerds. Moslimterrorist Nidal Malik Hasan richtte aan bloedbad aan in Fort Hood, een plaats waar de dichtheid aan wapens en getrainde schutters groter is dan bij welke school of arbeidsplaats ook. Toch slaagde hij er in 13 mensen om te brengen en 32 te verwonden voor hij zelf werd neergeschoten. Zou het aantal slachtoffers van Jared Loughner minder groot zijn geweest als omstanders met een pistool op zak in paniek waren gaan schieten op alles wat hen verdacht voorkwam? Ik weet wel zeker van niet (hij werd overmeesterd door ongewapende getuigen).

Alle daders hadden ingecalculeerd dat ze zouden kunnen sterven (of streefden daar zelfs naar): het vooruitzicht neergeschoten te worden door toevallig aanwezige vuurwapendragers weerhield hen niet. De vele doden en gewonden zouden echter nooit zijn gevallen als gefrustreerde jongeren, verongelijkte moslims en psychiatrische patiënten niet met het grootste gemak aan state of the art schietwapens hadden kunnen komen.

De voorstanders beweren ook dat “more guns [mean] less crime”. Zelfs als in landen met veel particulier vuurwapenbezit de misdaadcijfers relatief laag zijn (wat ik in geval van Amerika sterk betwijfel), dan zijn daar meer voor de hand liggende oorzaken voor aan te wijzen. Een land als Zwitserland kent weinig moorden omdat het een welvarende en (tot voor kort) homogene samenleving betreft, niet omdat veel burgers (die trouwens meestal een militaire opleiding hebben gevolgd) wapens thuis hebben. De misdaad in de VS is mogelijk fors afgenomen door het legaliseren van abortus (waarmee de geboorte van veel ongewenste –dus slecht behandelde- kinderen is voorkomen) en is zeker flink gedaald door de introductie van de Three Strikes Laws (die de recidive sterk hebben doen teruglopen). De stijging van de misdaadcijfers in landen als Engeland is niet te wijten aan het aan banden leggen van het privébezit van vuurwapens, maar aan de immigratie van vijandige vreemdelingen (meest van het moslimse geloof) en het opengooien van de grenzen voor rooftoeristen.

Dat gewapende burgers een waarborg zouden kunnen vormen tegen tirannieke neigingen van machthebbers gold misschien in de tijd van George Washington, maar tegenwoordig is dat een illusie. Wat burgers ook aan wapens bijeen kunnen sprokkelen, de uitrusting van een leger (of dat nu het eigen of een vijandig leger betreft) is altijd dodelijker.

Het geweldsmonopolie van de overheid is een cruciale voorwaarde voor orde en rust in een moderne samenleving. Autoriteiten die een dergelijk monopolie voor zichzelf opeisen verplichten zich daarmee wel om hun onderdanen te beschermen tegen beroving en geweld en te wreken in geval van onrecht. Schiet een regering in het vervullen van deze plicht te kort, dan moeten de burgers haar ter verantwoording roepen en bij de volgende verkiezingen op een partij stemmen die de openbare veiligheid wél serieus neemt (zoals in Nederland de PVV). Die veiligheid wordt niet bevorderd door meer particulier wapenbezit, maar juist door minder. Wat er zou moeten gebeuren is het volgende:

(1) De plezierjacht en schietverenigingen dienen geen enkel nuttig doel en moeten verboden worden (Tim Kretchmer nam voor zijn Amoklauf een pistool van zijn vader, lid van een schietvereniging, mee). Op zijn minst mogen legale vuurwapens niet meer thuis bewaard worden, maar moeten in het clubhuis achter slot en grendel.

(2) De straffen voor misbruik van vuurwapens moeten fors omhoog. Het is absurd dat gangsta’s slechts lullige taakstrafjes krijgen voor het op zak hebben van een pistool (met als gevolg dat ze elkaar om het minste en geringste door de kop knallen). Voor het bezit van een vuurwapen moet een straf van minstens een jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf uitgedeeld worden, voor het dreigen ermee een straf van minstens drie jaar en voor het afschieten ervan een straf van minstens vijf jaar – bovenop de straf die de betreffende bandieten voor een moord of overval zelf krijgen. [Ook op het dragen van een mes in een openbare gelegenheid moet een veel strengere sanctie staan.]

(3) Psychisch gestoorden (w.o. stalkers) die gewelddadige neigingen vertonen of gewelddadige fantasieën uiten, moeten preventief worden opgesloten. Het is onzinnig om te wachten tot ze door het lint zijn gegaan.

(4) De politie moet beter worden getraind in het effectief beschermen van burgers tegen geweld. Het is even absurd om politiemensen een vuurwapen te verbieden (zoals in Engeland het geval is), als om burgers een vuurwapen toe te staan. Voorwaarde voor het dragen van een pistool is wel dat de politiemensen er veel beter mee leren omgaan dan nu in Nederland het geval is. Het nabootsen van realistische omstandigheden (vuurgevecht) is daarbij noodzakelijk. Dienders die problemen hebben hun vuurwapen zonder aarzeling in te zetten moeten maar bureaudienst gaan doen, of (liever nog) ontslag nemen. Te lang zijn Nederlandse politieagenten geselecteerd op hun watjesgehalte.

(5) Politiemensen moeten in geval van gevaar voor burgers onverwijld in actie komen. Het is een eeuwige schande dat twee agenten een half uur voor de deur bleven wachten op versterking terwijl binnen een man werd doodgemarteld. In Amerika heeft de overheid na Columbine zijn lesje geleerd en hebben de wetsdienaren nu de instructie geen tijd te verdoen met het afzetten van de plaats delict en het beoordelen van de situatie, maar onmiddellijk naar binnen te gaan en active shooters uit te schakelen –ook al moeten ze gewonden voorlopig aan hun lot overlaten. Vuurgevaarlijke verdachten mag men nooit laten ontsnappen.

(6) Ook in Nederland is wetgeving nodig die recidivisten, vooral degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan (seksueel) geweld, permanent, of op zijn minst veel langduriger, achter de tralies brengt.

Als een overheid blijvend faalt in het beschermen en wreken van haar onderdanen, moet men niet gek opkijken als burgers zich bewapenen en het recht in eigen hand nemen.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

donderdag, mei 07, 2009

Leugens, verdomde leugens en statistieken.

There are three kinds of lies: lies, damned lies and statistics, oordeelde de Engelse staatsman Benjamin Disraeli (1804-1881) al. In een eerder artikel heb ik uiteengezet hoe de autochtonen door het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut in slaap werden gesust waar het de voortdenderende islamisering van onze samenleving betreft. Het recept voor een dergelijk staaltje volksverlakkerij is eenvoudig: je rept niet over moslims, maar over allochtonen en je definieert het begrip allochtoon zodanig dat het overgrote deel van de kleinkinderen van de huidige immigranten (die natuurlijk nog gewoon moslim zijn) niet langer tot deze categorie behoort. Zo werk je een tsunami van moslims op slinkse wijze weg. De afgelopen weken hebben we weer een aantal opmerkelijke staaltjes statistische manipulatie van de werkelijkheid voorgeschoteld gekregen.

Nederland wordt steeds veiliger’.

Dit is de boodschap waarmee Harm Brouwer, de baas van het Openbaar Ministerie ons verblijdde. Hij ontleende dit verbluffende inzicht aan het feit dat het OM vorig jaar 4% minder verdachten voor de rechtbank gebracht had. Het is zeldzaam simplistisch en arrogant om de veiligheid van Nederland direct te relateren aan het bescheiden succes van de eigen pogingen om criminelen te vervolgen (het ‘wij van WC-Eend principe’). Aan iedere rechtzaak gaat een langdurig proces vooraf en daarbij loopt meestal van alles mis.

(1) Er moet sprake zijn van een misdrijf in de juridische zin.
Er zijn vele acties waarvan mensen schade en overlast ondervinden die niet als misdrijf te boek staan. Tot voor kort was stalking daarvan het meest pregnante voorbeeld. Nog altijd kunnen onverlaten hun buurt jarenlang terroriseren zonder dat de politie mag ingrijpen.

(2) Er moet aangifte worden gedaan.
Bij gemiddeld 72% van de misdrijven wordt geen aanklacht ingediend. Bij geweldsmisdrijven (de specialiteit van allochtone straatterroristen) en vooral bij seksuele delicten liggen de percentages nog veel hoger (tot 93%). Daar zijn een aantal redenen voor. (a) Slachtoffers zien de zin van een aangifte niet in. De oplossing van het misdrijf heeft een geringe prioriteit (bijvoorbeeld bij fietsendiefstal); of de politie heeft geen tijd/mankracht om serieus onderzoek te doen; of de straf die de dader vermoedelijk krijgt is zo schandalig laag dat het slachtoffer de tijdsinvestering die een aangifte vergt de moeite niet waard vindt. Vooral de rechterlijke scheutigheid met taakstraffen is velen een doorn in het oog. Indien daders verplicht zouden worden de aangerichte schade tot de laatste cent te vergoeden en de slachtoffers smartengeld te betalen, zou de aangiftebereidheid aanzienlijk toenemen. (b) Door het doen van aangifte kan een conflict verder escaleren en het slachtoffer aan nog groter gevaar blootgesteld worden. Dit is vooral het geval bij misdrijven die door huis- of buurtgenoten worden gepleegd. Het is dan ook bijzonder kwalijk dat veroordeelden na het uitzitten van hun straf terug mogen keren in hun oude buurt, zelfs als ze een ernstig (gewelds)misdrijf (zoals kinderverkrachting) hebben gepleegd. (c) Mede hierom wordt door politieagenten het doen van aangifte niet zelden actief ontmoedigd.

(3) De politie moet het misdrijf oplossen en de dader(s) vatten.
Het percentage opgeloste misdrijven is in Nederland schrikwekkend laag (15%). In de vergelijkbare Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen ligt dat driemaal zo hoog. Het aantal opgeloste misdrijven is sinds 1970 constant gebleven, terwijl de daarvoor benodigde politiemacht enorm is uitgedijd. De Nederlandse politie (door arabist Hans Jansen omschreven als “de grootste sociale werkplaats ooit”) is in kwalitatief opzicht zwaar onder de maat, het gevolg van een decennialang falend selectiebeleid. Politiemannen lijken te worden uitgekozen op hun ‘watjesgehalte’, hun vrouwelijke collega’s vooral op de omvang van hun achterwerk. Ik ben absoluut geen tegenstander van vrouwen bij de politie, maar zij moeten wel hun ‘mannetje staan’. In plaats daarvan moeten mannelijke politieagenten hun vrouwelijke kant omarmen. Van het resultaat wordt je niet vrolijk. Politieagenten zijn geen veredelde maatschappelijk werkers, maar dienen gewoon boeven te vangen -en daarvoor zijn ze in de meeste gevallen te dom en te slecht opgeleid. De steken die met name de recherche de laatste jaren in belangrijke strafzaken heeft laten vallen spreken wat dat betreft boekdelen. Tunnelvisie is nog wel het minste euvel van degenen die ons de criminelen van het lijf moeten houden. Voor een dorpsbromsnor was MULO en een paar maandjes politieschool misschien voldoende, de moderne agent heeft heel wat meer bagage nodig.
Ook wordt Nederland in toenemende mate geteisterd door hit-and-run misdrijven. Bendes Oost-Europese criminelen strijken op een woonoord neer, stelen alles wat los en vast zit en verdwijnen weer. De politie staat machteloos.

(4) Het OM moet besluiten tot vervolging over te gaan.
Daarbij handelen de officieren van justitie met een grote mate van eigen discretie, om niet te zeggen willekeur. Men kan besluiten een zaak te seponeren omdat men het misdrijf niet ernstig genoeg acht (beleidssepot), omdat er bij het onderzoek technische fouten zijn gemaakt, of omdat men de kans om tot een veroordeling te komen te gering acht (technisch sepot). Gezien de ridicule vonnissen waarmee sommige magistraten tegenwoordig ons rechtsgevoel verkrachten, kan men ze dat vaak niet eens kwalijk nemen (zo wond Peter R. de Vries zich recentelijk terecht op over de vrijspraak in hoger beroep van een man die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn vrouw had vermoord, omdat het OM het excuus waar hij anderhalf jaar na dato mee aan kwam draven naar de mening van de rechtbank niet afdoende kon weerleggen).
Daar komt nog bij dat het aantal (zeer) jeugdige daders sterk is toegenomen. Kinderen beneden de 12 jaar kunnen niet eens vervolgd worden, ook niet als ze ‘volwassen’ misdrijven plegen. Voor daders tussen 12 en 18 jaar geldt het jeugdstrafrecht, waarbij zelfs een moord hoogstens twee jaar jeugddetentie oplevert.

Het zielige restant van de gepleegde misdaden dat uiteindelijk voor de rechter komt zegt helemaal niets over de criminaliteit in ons land. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een groot deel van de Nederlanders zich helemaal niet veiliger voelt. De propagandisten van het overheidsbeleid verbazen zich hierover, maar met ‘onderbuikgevoelens’ heeft dit niets te maken. Het is best mogelijk dat het aantal mensen dat zelf slachtoffer is geworden is gedaald (hoewel ik dat moeilijk te geloven vindt), maar de impact van de gepleegde misdrijven is enorm toegenomen (vooral omdat het percentage geweldsmisdrijven steeds groter wordt). Als, zoals vroeger, je autoradio gestolen wordt, is dat vervelend; als, zoals tegenwoordig, je bejaarde moeder op straat overvallen wordt en haar heup breekt, is dat rampzalig. Door de afname van het aantal liquidaties in het criminele milieu gaat de gewone burger zich ook echt niet veiliger voelen.

Nederlanders positiever over immigranten’.

Een tweede blijde boodschap werd gebracht door het nieuwste kwartaalbericht Continu Onderzoek Burgerperspectieven van het Sociaal en Cultureel Planbureau (de vijfde aflevering van een vermoedelijk eindeloze reeks), die victorie kraaide over de bevinding dat Nederlanders momenteel aanzienlijk positiever staan ten opzichte van immigranten. Het percentage respondenten dat het (zeer) eens was met de stelling ‘Nederland zou een beter land zijn als er minder immigranten zouden wonen’ was in vergelijking met het vorige kwartaal gedaald van 41 naar 35, terwijl het percentage dat het (zeer) eens was met de stelling ‘de aanwezigheid van verschillende culturen is een aanwinst voor onze samenleving’ was gestegen van 36 naar 44. Deze uitkomst stuitte bij velen, vooral degenen aan de rechterkant van het politieke spectrum, op ongeloof: “Onder welke mensen hebben ze die enquête gehouden dan Mij is namelijks niks gevraagd, famile en vrienden om mij heen ook niet maar toch blijkt 'de Nederlander' dit zo te vinden.” Op het onderzoek is inderdaad nogal wat kritiek mogelijk.

In de eerste plaats kan men zich afvragen waarom er met deze ‘positieve’ uitkomsten de publiciteit is gezocht, terwijl over eerdere ‘negatieve’ trends een angstig stilzwijgen werd bewaard. Tussen kwartaal 1 en 3 van 2008 steeg het percentage respondenten dat het met stelling 1 eens was bijvoorbeeld met 4% en tussen kwartaal 2 en 3 daalde het percentage dat stelling 2 onderschreef met 6%. Verder is het zeer onwaarschijnlijk dat de opinie van ‘de Nederlanders’ over een zodanig belangrijk onderwerp als immigratie in een periode van drie tot zes maanden wezenlijk zal veranderen, al is het best mogelijk dat de antwoorden van kleine groepen respondenten onder invloed van incidenten (aanzienlijk) kunnen fluctueren. Het SCP erkent dit impliciet door in het voorwoord van rapport vijf de incidenten te vermelden die tijdens (het besluit tot vervolging van Geert Wilders) of na (de ‘beroeringwekkende persconferentie’ van het CPB over de krimp van de Nederlandse economie) de enquêteperiode plaatsvonden.

De manier waarop de onderzoekers met statistische methoden omspringen is dubieus. Ze ontlenen hun gegevens aan de resultaten van een enquête en discussies in focusgroepen. Bij de samenstelling van de respondentengroep maken ze gebruik van een steekproef uit De Onderzoek Groep van het voornamelijk op het bedrijfsleven georiënteerde onderzoeksbureau MarketResponse. Deze verzameling (omschreven als ‘bijzonder loyale panelleden’) bestaat uit 25.000 huishoudens, die zich gemiddeld één keer per maand aan ‘diverse vormen van onderzoek’ onderwerpen. De deelnemers zijn telefonisch geworven (geen zelfselectie) en worden niet betaald. Dit alles klinkt te mooi om waar te zijn en waarschijnlijk is dat ook zo. Eén conclusie kan men in ieder geval trekken: mensen die bereid zijn om zich zonder enige geldelijke compensatie maandelijks door een commercieel bureau door te laten zagen over hun opvattingen zijn geen ‘typische Nederlanders’. Voor de SCP-enquête werden 1512 mensen telefonisch benaderd, wat na correcties op de factoren sekse, leeftijd, opleiding en internetgebruik resulteerde in een ‘effectieve steekproef’ van 1095 mensen. Een aselecte steekproef van een dergelijke omvang uit de gehele bevolking wordt gewoonlijk als representatief beschouwd, maar in bij deze mate van voorkauwen kan men over de aselectiviteit zijn twijfels hebben. MarketResponse gaat bovendien prat op de beschikbaarheid van achtergrondgegevens, waaruit men op kan maken dat het met de anonimiteit ook niet al te best gesteld is. Twee tekortkomingen die de uitkomsten ongetwijfeld sterk beïnvloeden.

Dit geldt in nog sterkere mate voor de focusgroepen. Dit is een onderzoekstechniek die zijn oorsprong heeft in het marketingonderzoek. Bij de introductie van een nieuw product wordt een groep mensen, vaak in een winkelcentrum opgepikt, samengebracht om over de voors en tegens te discussiëren. Bij het SCP-onderzoek maakt men gebruik van slechts vier focusgroepen, bestaande uit 7 à 8 personen: twee voor laagopgeleiden (tot en met MBO) en twee voor hoogopgeleiden. De kans op wederzijdse beïnvloeding is levensgroot aanwezig. Bij een product waar niemand ooit eerder van gehoord heeft is dat natuurlijk geen bezwaar. Bij controversiële onderwerpen als immigratie is het meer dan waarschijnlijk dat de deelnemers geneigd zijn ‘sociaal wenselijke’ (dus politiek correcte) antwoorden te geven.

Het is onduidelijk of het SCP bij iedere enquête ‘verse’ respondenten laat aanrukken. Er is bovendien altijd sprake van een momentopname. Als een land midden in de diepste economische crisis sinds de jaren dertig zit, is het begrijpelijk dat mensen zich even niet zo druk maken over een minder acuut probleem als immigratie. Het percentage respondenten dat van mening is dat het met Nederland de verkeerde kant op gaat staat onveranderd op 65, maar het ‘negativisme’ wordt door andere bronnen gevoed. De representativiteit en de betrouwbaarheid van de uitkomsten van het SCP-onderzoek zijn dan ook zeer twijfelachtig.

Conclusie.

Uit de reacties op de artikelen in de media over deze kwesties (waarbij overigens moet worden opgemerkt dat bij periodieken als Trouw en de Telegraaf de mogelijkheid tot reageren opvallend afwezig was) blijkt overduidelijk dat veel mensen de uitkomsten van dergelijke ‘onderzoeken’ niet meer vertrouwen (“dit is weer een fraai staaltje staatspropaganda waar Joseph Goebbels zijn vingers bij zou aflikken”). Meer dan 80% van de reageerders op SpitsNieuws vroegen zich bijvoorbeeld af ‘op welke planeet de bazen van het OM leven’. Omdat het hier (semi-)overheidsinstellingen betreft, slaat deze argwaan terug op het vertrouwen in de overheid als geheel. Dit kan ernstige consequenties hebben, zoals recentelijk bleek uit de lage opkomst bij de vaccinatiecampagne tegen baarmoederhals-kanker: veel meisjes en hun ouders geloofden simpelweg niet dat de inenting gevaarloos was. Zelfs het SCP moet het toegeven: “In korte tijd zijn we van een typische high trust country zoals Denemarken of Zwitserland tot een low trust country geworden zoals België of Duitsland.”

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

maandag, januari 28, 2008

Pas na 25 jaar.

Onlangs slingerde Jos Schmitz een dringende waarschuwing de ingedommelde wereld van de politiek in: Nederland staat een ware ramp te wachten als na 2012 ook de inwoners van de nieuwste EU-leden zich vrijelijk in alle EU-landen mogen vestigen, met dezelfde rechten als de eigen onderdanen van deze landen. Ongetwijfeld zullen honderdduizenden van de meest pathetische nietsnutten uit de (zuid-)oostelijke rafelrand van Europa (de verslaafden, de arbeidsschuwen, de gehandicapten, de criminelen, de bejaarden etc.) onze grenzen plat lopen om zich aan de rijkgevulde staatstrog te goed te kunnen doen. Het behoeft geen betoog dat zijn noodkreet bij de mainstream politici op dovemansoren viel.

In wat alleen maar kan worden geïnterpreteerd als een welbewuste poging om onze samenleving nog verder te ontwrichten is momenteel een kongsi van vakbonden, ouderenbonden en migrantenorganisaties aan het lobbyen om het voor oudere gelukszoekers nog aanlokkelijker te maken naar ons belaagde land te verkassen. Zij appelleren aan de Tweede Kamer om het AOW-gat van immigranten te dichten en hun pleidooi valt bij de PvdA, die visioenen heeft van een tsunami aan dankbaar nieuw stemvee, uiteraard in vruchtbare grond. Ook het CDA is, uit misplaatste christelijke naastenliefde, niet bij voorbaat afwijzend. Onze staatkundig gespleten staatssecretaris Aboutaleb, die aanvankelijk beweerde hier niets voor te voelen, gaat de mogelijkheden voor deze innovatieve vorm van grootscheepse welvaartsoverdracht daarom nader onderzoeken.

Alle ingezetenen van Nederland verwerven voor ieder jaar dat ze tussen het 15de en 65ste levensjaar op Nederlandse bodem verblijven recht op 2% van een volledige AOW-uitkering, of men nu premie betaalt of niet (tegenwoordig kunnen we er veilig van uitgaan dat voor de meeste AOW-jaren geen premie wordt betaald). Nederlanders die tijdelijk in het buitenland verblijven (expats) bouwen gedurende deze jaren geen AOW-rechten op, tenzij ze premie bijstorten (het gaat dan niet zelden om duizenden euro's per jaar).

Immigranten die zich op latere leeftijd in Nederland hebben gevestigd maken de 50 jaar premieopbouw niet vol en krijgen geen volledige AOW. Hun inkomen na hun 65ste is daarom doorgaans lager dan het bestaansminimum, dus kunnen ze aanspraak maken op aanvullende bijstand. Aan een bijstandsuitkering zijn echter nadelen verbonden: zo mag de ontvanger jaarlijks slechts gedurende een beperkte periode in het buitenland verblijven (normaliter 4 weken, maar voor oudere bijstandstrekkers al opgerekt tot 13 weken) en moeten kandidaten die hun geld niet over de balk gegooid hebben eerst interen op hun spaarcenten en een eventueel koophuis ‘opeten’ voor ze in het genot van een uitkering kunnen komen.

Naar de mening van bovengenoemde ‘menslievende’ organisaties kan men dit de zielepieten met een AOW-gat niet aandoen. Weg met de beperkingen dus. Zo moeten AOW-ers met aanvullende bijstand jaarlijks 26 weken buiten Nederland kunnen verblijven en moet een groter deel van de bezittingen onaangetast blijven. Hieruit blijkt meteen al voor wie deze wetswijziging in eerste instantie bedoeld is: een autochtone minimumlijder kan zich een verblijf van een half jaar in het buitenland niet permitteren!

Niet alleen brengt dit voorstel een schandalige discriminatie van de expats die braaf premie hebben bijgestort met zich mee (men kan er gevoegelijk van uitgaan dat niemand van hen dat dan ooit nog zal doen), maar een dergelijke maatregel zal ook als een magneet werken op behoeftige ouderen uit de (nieuwe) EU-landen. Ze hoeven zich slechts gedurende een minimale periode met een (uitzend)baantje in ons land zien te bedruipen (en er zijn ongetwijfeld binnen de kortste keren uitzendbureaus van landgenoten die ze daarbij gaarne een handje helpen) om vervolgens met een verhoudingsgewijs riante uitkering minstens de helft van de tijd in hun teerbeminde vaderland te kunnen gaan rentenieren.

Dit is een bom onder onze verzorgingsstaat en ik kan mij daar, in tegenstelling tot Arjan Kraak, niet bepaald over verheugen –al is het alleen maar omdat ik graag nog zelf van de AOW, waarvoor ik tientallen jaren premie heb betaald, zou willen genieten. De verzorgings-staat staat ook door andere oorzaken onder zware druk:

(a) Honderdduizenden oude (niet-westerse) immigranten en hun nazaten slobberen permanent uit de staatstrog. De meerderheid profiteert van een uitkering (bijstand, WAO) waarvoor ze niet of nauwelijks premie betaald hebben.

(b) Ook het merendeel van de nieuwe ‘legale’ immigranten (het morele kompas volgend van een godsdienst die hen leert dat het verdienstelijk is de ongelovigen af te persen) schuiven rechtstreeks, of via een kleine omweg, de bijstand in. Trouwlustigen moeten voor de vorm even pretenderen dat ze werk hebben (vaak met behulp van een tijdelijk flutbaantje bij een ‘kleurrijk’ uitzendbureau, of "valse salarisspecificaties" van een "bevriend naaiatelier"), maar kunnen daarna voldaan achterover leunen. Na een stuitend korte periode hebben ook hun (ex-)partners recht op een zelfstandige verblijfsvergunning met bijbehorende uitkering. Asielzoekers is het, zolang ze in de procedure zitten, niet toegestaan in het zweet des aanschijns hun brood te verdienen en daarna zijn ze het voorzien in eigen onderhoud vaak voorgoed verleerd.

(c) Een aanzienlijk deel van de autochtone heffe des volks (honderdduizenden ‘zwakken’ en ‘kwetsbaren’) houdt het uitvreten al generaties lang koppig vol. Een toenemend aantal jongeren, gekweld door ‘psychische stoornissen’ (ADHD bijvoorbeeld), slaagt erin zich te kwalificeren voor de sinds de introductie van strengere WAO-regels enig overgebleven hoofdprijs: een Wajong-uitkering. [Persoonlijk heb ik me alle kleuren van de regenboog geërgerd bij het aanschouwen van een tv-item over Oudste Zoon Tokkie, die van z’n leven nog geen slag fatsoenlijk werk had gedaan en dat overduidelijk ook niet van plan was, maar die ondanks het feit dat hij nauwelijks droog achter de oren was de beschikking had over een fraaie flat –zeker reeds bij zijn geboorte als woningzoekende ingeschreven.]

Het hardwerkende belastingbetalende deel van de (autochtone) bevolking wordt door toedoen van dit soort parasieten reeds tot op het merg uitgezogen en dit zal alleen maar erger worden. Aan deze misstanden moet dan ook spoorslags een eind gemaakt worden. Het zou al een stuk schelen als buitenlanders gedwongen konden worden hun snuiten uit onze voorzieningenruif te halen, maar helaas verbieden zowel Artikel 1 van de Grondwet (die dringend gecorrigeerd dient te worden, maar dat is een ander chapiter) als de EU-regels deze vorm van zelfverdediging.

Het gaat gelukkig ook zonder ons tot discriminatie te ‘verlagen’. De EU-regels schrijven (nog) niet voor hoe de lidstaten hun sociale voorzieningen moeten inrichten en hoe hoog de uitkeringen moeten zijn. Mij staat daarom de volgende wijziging in de sociale wetgeving voor ogen: Nederlandse ingezetenen kunnen pas na een 25-jarig verblijf op Nederlandse bodem in aanmerking komen voor een uitkering waarvoor ze zelf geen premie betaald hebben, zoals de bijstand.

Voor de hier geborenen betekent deze wijziging dat ze bij ononderbroken verblijf pas na hun 25ste verjaardag bij de staat hun hand kunnen ophouden. Je werkt of je studeert, anders is er geen overheidsgeld en ga je maar bij je ouders bedelen. Onderzoek heeft uitgewezen dat opvallend veel bijstandsongerechtigden dan opvallend snel werk vinden. Natuurlijk is er de kans dat van vertroeteling uitgeslotenen het criminele pad op zullen gaan, maar dat zat er altijd al dik in: een bijstandsuitkering steekt so wie so nogal schriel af bij de opbrengst van een drugshandeltje of een serie overvallen. [Ons christensocialistische prachtkabinet doet momenteel inderdaad een halfslachtige poging om d.m.v. deze werkleerplicht onproductieve jongeren aan de slag te krijgen, tot grote verontwaardiging van linkse partijen en vakbonden natuurlijk.]

Voor EU-onderdanen en andere legale immigranten heeft deze maatregel tot gevolg dat ze ons land moeten verlaten als ze geen werk of een andere legale bron van inkomsten (bijvoorbeeld een WW-uitkering) hebben. Ze komen voorlopig niet in aanmerking voor bijstand en als ze minder dan 25 jaar in ons land gewoond hebben, wordt ook een eventuele AOW-uitkering niet aangevuld tot bijstandsniveau. Hun rest dan slechts de optie zich in een land te vestigen waar de kosten van levensonderhoud lager liggen, het eigen (voormalige) vaderland bijvoorbeeld.

Voor asielzoekers met een permanente verblijfsvergunning is de consequentie dat ze op basis van de bed-bad-brood-regeling in een AZC moeten blijven wonen zolang ze geen werk hebben. Daar staat tegenover dat ze zodra ze in de procedure zijn opgenomen mogen (of liever gezegd moeten) werken. Van hun verdiensten wordt een redelijk bedrag ingehouden voor kost en inwoning en van de rest wordt de helft op een spaarrekening vastgezet. Als ze niet worden geaccepteerd als asielzoeker, hebben ze een appeltje voor de dorst bij terugkeer in het land van herkomst (of geld om een advocaat voor de beroepsprocedure te betalen, want die wordt dan niet langer door de overheid vergoed) en als ze wel worden geaccepteerd, hebben ze een bedrag voor de (ook niet langer door de overheid verschafte) inrichting van een nieuw onderkomen. Asielzoekers worden in het nieuwe stelsel bij woningtoewijzing niet langer voorgetrokken, dus ze moeten zich gewoon bij een woningbouwvereniging inschrijven, net als de inheemsen. Ook dat kan al vanaf het moment dat ze in de procedure worden opgenomen, maar ze kunnen een toegewezen woning pas betrekken als ze een verblijfsvergunning en voldoende eigen inkomsten hebben. Mochten erkende asielzoekers er niet in slagen werk te vinden, dan vieren ze hun 25-jarig verblijfsjubileum dus in een AZC -wat voor hen hopelijk een aansporing zal zijn om hun geluk te beproeven in een land dat hun talenten meer waardeert.

Door het invoeren van deze voor de hand liggende, niet-discriminerende maatregel wordt een groot deel van de profiteurs de wind uit de zeilen genomen, zonder waarlijk behoeftige echte Nederlanders in hun rechten aan te tasten. Kan je hier wat mee, Geert?

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

vrijdag, januari 11, 2008

Flikker op met de homopolis.

Zorgverzekeraar Agis gaat in samenwerking met het COC een speciale ziektekostenverzekering voor homoseksuelen in het leven roepen. Die krijgen 5% korting op de basisverzekering plus 8% korting op aanvullende verzekeringen. Er komen ‘roze’ zorgmakelaars en contracten met ‘homovriendelijke’ instellingen. Men overweegt bovendien een aantal extra’s, zoals juridische ondersteuning bij ongelukken in landen die homostellen niet erkennen (als buitenstaander vraagt men zich af waarom dit onder ziektekosten gerangschikt wordt). De polis wordt door menigeen gezien als een erkenning van de levensstijl: homo's zullen zich bijvoorbeeld niet langer gedwongen voelen hun geaardheid te verbergen voor een weinig diversiteitsbewuste thuishulp.

Enige honderden leden van de doelgroep hebben al belangstelling getoond, maar het initiatief valt zelfs in eigen kring niet onverdeeld goed: homo’s die principieel tegen discriminatie zijn, willen niet zelf positief gediscrimineerd worden. Het COC probeert ze hun principes uit het hoofd te praten. Deze organisatie, nu een duffe club gedomesticeerde mainstream homo’s, zal flink garen spinnen bij deze samenwerking, die ongetwijfeld meer leden zal opleveren. Want hoe bewijs je anders dat je homo bent? In de media steekt men al bij voorbaat de draak met de ‘homopolis’ (een benaming die door argelozen wordt geïnterpreteerd als ‘stad voor louter homo’s’).

Laten wij de implicaties eens even goed tot ons doordringen. Een verzameling heren die berucht zijn om hun risicovolle levensstijl (veel onveilige seks en drugsgebruik), waartoe bovendien idioten behoren die zich opzettelijk laten besmetten met het AIDS-virus (de zgn. bug chasers), die dus een aanzienlijk hogere kans hebben op het oplopen van een peperdure chronische ziekte, een groep die gegarandeerd significant hogere ziektekosten met zich meebrengt als een vergelijkbare groep heteroseksuelen, krijgt (bijna als beloning voor verwerpelijk gedrag) een aanzienlijk lagere premie. Je kunt er vergif op innemen dat Agis zwaar verlies zal lijden op deze polis, een verlies dat zal worden gecompenseerd uit de (te hoge) premies van de overige verzekerden. De wereld op zijn kop. Wat mij betreft is dit een onacceptabel misbruik van het collectiviteitsvoordeel. Ik kan de schandelijk gediscrimineerde heteroseksuele klanten van Agis slechts aanraden onverwijld over te stappen naar een andere verzekering. Tot 1 februari kan het nog.

Ik ben niet principieel gekant tegen een goedkopere basisverzekering voor uitverkoren groepen –mits de kortingen terecht zijn. Vóór de invoering van het nieuwe stelsel had National Academic een gunstig geprijsde particuliere ziektekostenverzekering voor mensen met een hogere (universitaire of HBO) opleiding (je moest een kopie van je bul opsturen om in aanmerking te komen). De door de fusiegolf opgeslokte concurrent Geové richtte zich zelfs uitsluitend op onderwijspersoneel (dat ongeacht de hoogte van het inkomen verplicht was een particuliere ziektekostenverzekering af te sluiten, waarmee de laagstbetaalden -vooral de parttimers- aanzienlijk slechter uit waren dan lotgenoten die in het ziekenfonds zaten). Deze kortingen waren verdedigbaar, omdat mensen met een hogere opleiding en onderwijspersoneel aantoonbaar lagere ziektekosten hebben dan personen met een bescheidener opleiding en werkers in andere sectoren. [Tegenwoordig moeten de ziektekostenverzekeraars iedereen accepteren en is het educatievoordeel grotendeels weggesmolten.] Ik heb ook geen probleem met aanvullende verzekeringen die zijn toegespitst op een specifieke doelgroep, maar die moeten dan wel kostendekkend zijn.

Voor alle duidelijkheid: ik heb niets tegen homoseksualiteit op zich. Het gaat er mij niet om met wie iemand het doet, maar hoe iemand het doet: ongebreidelde promiscuïteit en een voorkeur voor onveilig vrijen kunnen bij mij op weinig sympathie rekenen. Ik zou het begrijpelijker vinden als Agis kortingen zou aanbieden aan lesbo’s, want zij onderscheiden zich qua levenswijze niet ongunstig van hun heteroseksuele leeftijdsgenoten en hun ziektekosten zijn vermoedelijk lager: een verzekeraar bespaart zich alvast (grotendeels) de uitgaven voor zwangerschap, bevalling, pilgebruik en de behandeling van venerische ziekten.

Solidariteit in de gezondheidszorg is noodzakelijk, vooral tussen jongeren en ouderen. Met de ouderdom komen nu eenmaal de gebreken. Ook mensen die (buiten hun schuld) gehandicapt zijn (geraakt), of een chronische ziekte hebben (opgelopen) mogen hiervoor niet financieel worden afgestraft. Maar er is in het huidige stelsel te veel misplaatste solidariteit: verzekerden die op hun gezondheid achten moeten dokken voor de onverantwoordelijken die zich in allerlei opzichten te buiten gaan en voor de asocialen die het vertikken een basisverzekering af te sluiten of ervoor te betalen. Ik ben een groot voorstander van het belonen van verantwoord gedrag. Mensen met een gezonde levensstijl (geen sigaretten, geen drugs, geen onveilige seks, matig gebruik van alcohol, een gezond gewicht en een -gezien hun leeftijd- goede conditie) zouden een forse korting op de premie van de basisverzekering moeten krijgen. Ik preek hierbij bepaald niet voor eigen parochie, want wat gewicht en conditie betreft (de enige aspecten die makkelijk te controleren zijn) zou ik me (nog) niet voor deze prachtpolis kwalificeren.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

dinsdag, november 06, 2007

Discriminatie moet kunnen.

Vorige week ontstond een storm in een glas water over het voornemen van het Amsterdamse CU-deelraadslid Yvette Lont (een ex-hoer van het ergste soort die zich heeft opgewerkt tot een zwarte Jeanne D’Arc) om bij het eerstvolgende partijcongres een voorstel in te dienen om praktiserende homoseksuelen uit te sluiten van bestuurs- en vertegenwoordigende functies in de partij. Vermoedelijke aanleiding was het recente terugtreden van het Wageningse raadslid Monique Heger, nadat duidelijk geworden was dat haar bekering tot de lesbische liefde bij een groot deel van de steunfractie weerstanden opriep. Tweederde van de regiohoofden bleek het standpunt van Lont te onderschrijven, evenals een meerderheid van de leden (waarvan er één zich uitvoerig beklaagde over de door de partijleiding uitgeoefende gewetensdwang). Dit bracht partijleider André Rouvoet in een lastig parket: als regeringspartij kan de CU niet het verwijt op zich laden zich aan discriminatie schuldig te maken, maar hij wilde liever niet een groot deel van de achterban voor het hoofd stoten. Onder druk van andere politieke partijen (de afdeling Amsterdam Zuidoost van de VVD diende zelfs een aanklacht tegen Lont in) ging hij uiteindelijk overstag en keerde hij zich dapper tegen discriminatie van homoseksuelen in de partij. Lont trok na overleg met de partijtop haar voorstel in, omdat ze erop vertrouwt dat er intern een stevige discussie over het onderwerp zal plaatsvinden: op het congres zal worden gesproken over een gedragscode voor alle CU-vertegenwoordigers (waarbij om de homoknuffelaars tegemoet te komen geen onderscheid zal worden gemaakt tussen de zondige gedragingen van homo’s en hetero’s).

Het zal misschien verbazing wekken, maar ik geef Yvette Lont groot gelijk. Als atheïst ben ik niet echt bedreven in bijbelexegese, doch het is zelfs voor mij zo klaar als een klontje dat volgens de bijbel ‘de Heere’ niet bepaald welwillend neerziet op homoseksuelen, met name niet op degenen die zich aan sodomie te buiten gaan. Een partij die beweert politiek te bedrijven met de bijbel als richtsnoer kan dan ook niet anders dan homoseksualiteit afwijzen. Lont keert zich in haar voorstel expliciet tegen praktiserende homoseksuelen: niet de geaardheid wordt dus gehekeld, maar het gedrag. [De katholieke kerk benadert het probleem op overeenkomstige wijze. Moslims, daarentegen, doen precies het omgekeerde: zij veroordelen de geaardheid, maar praktiseren het gedrag dat het een lieve lust is.] Eerlijk gezegd begrijp ik niet waarom homoseksuelen lid zouden willen zijn van een partij die hun favoriete seksuele handelingen als zondig beschouwd. Als ze per se christelijke politiek willen bedrijven, kunnen ze zich beter aanmelden bij het CDA (dat een openlijk lesbisch regeringslid –Minister van Landbouw Gerda Verburg- in de gelederen heeft). Zijn ze niettemin vastbesloten tot de CU toe te treden, dan hebben homoseksuelen altijd nog de optie een celibatair leven te leiden of hun geaardheid geheim te houden. Ik ben er trouwens van overtuigd dat een heteroseksueel die zich op overspel beroemt bij de aanhangers van deze partij evenmin veel genade zal vinden.

Sommige critici van Lont beroepen zich op de Grondwet, die naar hun inzicht politieke partijen verbiedt te discrimineren. Dit is een foutieve interpretatie: artikel 1 van de grondwet gebiedt slechts de overheid haar onderdanen in gelijke gevallen gelijk te behandelen. [In deze formulering ligt al meteen een aanzienlijke mate van onzekerheid besloten, want wanneer zijn gevallen gelijk?] De overheid mag niet discrimineren, hetgeen impliceert dat naast overheidsinstellingen ook overheidsdienaren die handelen uit hoofde van hun functie en (grotendeels) met overheidsgeld gefinancierde organisaties niet mogen discrimineren (ambtenaren van de burgerlijke stand mogen dus in principe niet weigeren een homohuwelijk te sluiten –maar dat wordt bijbelvaste christenen door deze regering juist wél toegestaan). Het feit dat de CU een regeringspartij is, maakt deze organisatie niet tot onderdeel van de overheid. Er staat nergens in de grondwet dat particulieren of particuliere organisaties niet zouden mogen discrimineren. Dit verbod is neergelegd in de Wet Gelijke Behandeling, waarvan de uitvoering wordt bewaakt door de vooringenomen en veelbekritiseerde Commissie Gelijke Behandeling. Ik acht een verbod op discriminatie door particulieren onzinnig en wel om de volgende redenen:

(1) Discriminatie (= het maken van onderscheid tussen wij en zij) is een natuurlijk fenomeen. Sociobiologen beweren dat dit gedrag in onze genen verankerd en in evolutionair opzicht noodzakelijk is. Menig primitief volk duidt zichzelf aan met een naam die er geen twijfel over laat bestaan dat ze zich als de enige ware mensen beschouwen. Discriminatie uitroeien is dus bij voorbaat een bijna onmogelijke opgave. De opvattingen over wie er tot de in- respectievelijk outgroup gerekend dienen te worden variëren naar gelang de omstandigheden. Er is dus een zekere ruimte voor beïnvloeding door de overheid, maar dwang werkt averechts.

(2) Welke handelingen en uitspraken als discriminatie beschouwd dienen te worden, is zeer eenzijdig gedefinieerd. In de praktijk blijken alleen blanken (en dan nog voornamelijk niet-islamitische blanke mannen) zich aan discriminatie schuldig te kunnen maken. Even stuitende pogingen tot uitsluiting door moslims, gekleurden en vrouwen worden niet als bestrijdenswaardig beschouwd. Tegen etnische entrepreneurs die uitsluitend landgenoten aanstellen, wordt bijvoorbeeld zelden actie ondernomen. Excuus is meestal dat alleen discriminatie door blanken de slachtoffers werkelijk schaadt, wat baarlijke nonsens is.

(3) Discriminatie kan dikwijls onmogelijk bewezen worden. In de praktijk richt de overheid zich op een klein deel van een scala aan discriminatoire handelingen: met name discriminatie op de arbeidsmarkt en in de horeca. Discriminatie bij het vervullen van een vacature kan alleen bewezen worden als (a) de werkgever zo dom is hier openlijk voor uit te komen, of (b) de betrokkene de enige gekwalificeerde kandidaat is en desondanks wordt afgewezen. Dat zal tegenwoordig nog maar zelden gebeuren. Vermeende discriminatie wordt daarom bewezen met statistische methoden, met als gevolg een enorme druk op organisaties om ‘een afspiegeling van de samenleving’ te zijn, ongeacht het feit of de minderbedeelde groepen überhaupt in staat zijn genoeg adequaat opgeleide werkwilligen te leveren.

(4) Bij de bestrijding van discriminatie komt men veelvuldig in conflict met andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Welke keuze er in zo’n geval gemaakt dient te worden laat de regering bepalen door de van vertegenwoordigers van belangengroepen vergeven Commissie Gelijke Behandeling. Het is zo langzamerhand zonneklaar hoe het oordeel dan uitpakt: als het moslims betreft gaan de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting boven het tegengaan van discriminatie, als het de rest van de bevolking betreft geldt het omgekeerde. Het bestrijden van discriminatie in woord en geschrift leidt tot (zelf)censuur en op den duur tot het ontstaan van een soort gedachtenpolitie, wat niet ten onrechte geassocieerd wordt met de dictaturen van Hitler en Stalin.

(5) Anti-discriminatiewetgeving impliceert een onacceptabele inmenging in het privé-leven van burgers (ofschoon de privé-sfeer formeel is vrijgesteld van overheidsbemoeienis). Hoe onzinnig deze wetgeving is, wordt duidelijk als men in plaats van de arbeidsmarkt de relatiemarkt in ogenschouw neemt. Stel je voor dat je als racist gebrandmerkt wordt als je geen relatie wilt met een zwarte die jou wél ziet zitten. Of dat de overheid mensen kapittelt en beboet als hun vriendenkring niet gemengd genoeg is. Het is net zo absurd om een werkgever te verplichten (vaak minder geschikte) leden van minderheidsgroepen in dienst te nemen. Of om mensen te dwingen samen te werken met personen wier opvattingen diametraal tegenover de hunne staan (zelfs al is er een kans dat bekend ook bemind maakt). Dit is misschien nog wel ingrijpender aangezien de meeste werkenden heel wat meer tijd met hun collega’s dan met hun vrienden doorbrengen.

(6) Mensen hebben vaak een heel goede reden om te discrimineren.Discriminatie is risicoanalyse”, las ik ergens en zo is het maar net. Bij contacten met personen die je niet kent en die tot een groep behoren met gebruiken die je op het oog weinig kunnen bekoren, doe je er verstandig aan af te gaan op de ervaringen van anderen, gesublimeerd tot statistische waarschijnlijkheden. Er is een gerede kans dat dergelijke analyses ten onrechte negatief uitvallen voor de betrokkenen, maar het omgekeerde kan eveneens gebeuren (en daar hoor je nooit iemand over). Als de overheid discriminatie wil bestrijden dan moet zij risico’s verminderen, bijvoorbeeld door het werkgevers makkelijker te maken slecht functionerende werknemers te ontslaan.

Men kan hier tegen inbrengen dat discriminatie moreel verwerpelijk is en dus op principiële gronden bestreden moet worden. Daar valt wat voor te zeggen, met name als het gaat om uitsluiting vanwege lichamelijke kenmerken die men veranderen noch verbergen kan, zoals sekse, ras en (in iets mindere mate) leeftijd. De seksuele geaardheid kan men niet naar believen veranderen, daar zijn de meeste deskundigen het wel over eens, maar door de geschiedenis heen zijn er miljoenen seksueel ‘abnormalen’ geweest die hun geaardheid met succes verborgen hebben. Sommige homoseksuelen gedragen zich onnodig provocerend en moeten dan ook niet gek opkijken als afwijzing hun deel wordt. [Overigens worden andere seksuele minderheden, zoals pedoseksuelen en sadisten, door de overheid wel degelijk ongelijk behandeld, met vrijwel ieders instemming.] Met discriminatie vanwege kenmerken die op vrije keuze berusten, zoals religie of politieke overtuiging, heb ik de minste moeite. Ik heb bar weinig op met mensen die een verderfelijke ideologie als de islam of het communisme aanhangen en ik kan niet garanderen dat ik hen gelijk zal behandelen. Ik ben hierin bepaald niet uniek: de (linkse) politici die het schuim om de mond staat als homoseksuelen worden achtergesteld, discrimineren zelf met overgave als het mensen met opvattingen die hén tegen de borst stuiten betreft, zoals orthodoxe christenen en islamcritici (door hen steevast verketterd als islamofoben).

Zolang het een interne aangelegenheid blijft, maak ik me niet druk om het feit dat de SGP vrouwen als ondergeschikt aan de man beschouwt en geen vrouwelijke leden wil, of dat moslims homo’s verachten. Er is niemand die de slachtoffers van deze vooroordelen dwingt het lidmaatschap van de SGP te ambiëren, of moslim te worden. Het moet de vrouwen- en homohaters echter niet worden toegestaan hun ideeën aan anderen op te dringen, of op buitenstaanders in de praktijk te brengen. Ik vind ook niet dat het verboden zou moeten worden Marokkanen uit een disco te weren. Hoe pijnlijk dit voor de betrokkenen ook is, er zijn alternatieven genoeg -en mocht dat niet zo wezen, dan zouden die Marokkanen zich eens moeten afvragen waarom hun centen nergens welkom zijn. De kans dat we bij het afschaffen van het verbod op discriminatie weer bordjes tegen zullen komen als ‘slegs vir blanke’ of ‘verboten für Juden’ is uiterst gering: dit wordt door de publieke opinie niet geaccepteerd en kan zelfs tot een boycot leiden. Met name bij vermeend racisme is de publieke reactie fel (soms belachelijk fel), zoals voorzitter Johan Vermeersch van FC Brussels recentelijk ondervond: zijn wat onbehouwen maar terechte kritiek op een zwarte speler werd direct afgestraft met de aftocht van een belangrijke sponsor. Voor de overheid ligt naar mijn mening bij de bestrijding van deze vormen van discriminatie geen (wetgevende) taak.

Discriminatie door particulieren en particuliere organisaties moet kunnen. De overheid is vanwege de eigen verantwoordelijkheid echter wel gerechtigd discriminerende organisaties niet langer te subsidiëren. Naar mijn mening is de CU in veel opzichten opvallend tolerant: vrouwen en zwarten worden niet alleen niet achtergesteld, maar zelfs overhaast naar voren geschoven (waarvan Yvette Lont het levende voorbeeld is) en ik vraag me af of er andere partijen zijn waar een ex-prostituee gemeenteraadslid kan worden (ik heb een donkerbruin vermoeden dat de VVD in dit opzicht een stuk minder ruimdenkend is). Wat mij betreft mag de CU dus gerust de hand blijven ophouden bij de overheid. Dit geldt niet voor islamitische organisaties, die geen enkele vorm van discriminatie schuwen en die wat mij betreft in het geheel geen subsidie meer behoren te ontvangen. Helaas bewerkstelligt het intrekken van de subsidie vaak louter cosmetische aanpassingen: onder dreiging van subsidieverlies laat de SGP nu bijvoorbeeld vrouwelijke leden toe, maar zij hebben niets in te brengen als lege briefjes.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

donderdag, juli 12, 2007

Graaien in andermans zakken.

De Groningse homoscene is recentelijk opgeschrikt door het bericht dat een aantal naïevelingen opzettelijk is besmet met HIV. Ze werden door vier seropositieve mannen tot nader contact verleid in een chatroom, naar een illegale seksparty gelokt, verdoofd met GHB, ingespoten met een cocktail van besmet bloed en als kroon op het werk verkracht. Een aantal van de slachtoffers bleek na onderzoek inderdaad seropositief te zijn. In de meeste commentaren op deze verbijsterende gang van zaken werd er de nadruk op gelegd dat de daders (met naam en toenaam genoemd op GeenStijl) gewoon criminelen zijn en dat het gebeuren weinig te maken heeft met hun homoseksualiteit. Nonsens. Deze mannen propageren op extreme wijze een gedachtegoed dat in de homoscene steeds meer aanhang vindt: veilig vrijen is lastig en vermindert het genot; onveilige seks is ‘pure’ seks; een besmetting met HIV is tegenwoordig niet langer een automatisch doodvonnis aangezien er goede medicijnen bestaan; seropositiviteit is dus geen ramp meer, maar eerder een soort verlossing.

Onveilig vrijen neemt onder homo’s dan ook hand over hand toe, evenals het aantal nieuwe HIV-besmettingen. Natuurlijk betalen de homo’s die zich uit eigen keuze of uit onverschilligheid hebben laten besmetten de kosten van de dure aidsremmers die ze in het vervolg nodig zullen hebben en van de onvermijdelijke ziekenhuisopnames niet zelf. Ook willen ze als ze ziek worden gewoon voor 100% doorbetaald worden door hun werkgevers en als ze in de toekomst in het geheel niet meer kunnen werken verwachten ze een comfortabel hoge WAO-uitkering. Anderen kunnen dus voor de gevolgen van hun wangedrag dokken.

Deze homo’s vormen een extreem voorbeeld van een attitude die kenmerkend is voor de Nederlandse samenleving. Hier heerst een afwentelcultuur: Nederlanders wensen voor zichzelf alle vrijheden, maar ze weigeren categorisch de (financiële) verantwoordelijkheid voor de gevolgen van hun vrije keuzes te dragen. Ze proberen die zoveel mogelijk af te wentelen op hun medemensen, bij voorkeur ‘het geheel’ (want dan valt het niet zo op). Wij hebben in onze taal mooie gezegden die anders doen vermoeden (‘wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten’ en ‘eigen schuld, dikke bult’), maar in werkelijkheid maken weinigen zich druk over zo’n egocentrische houding, hoewel deze iedere belastingbetaler en iedere verzekerde jaarlijks honderden, zo niet duizenden, euro’s kost. Sommige benadeelden proberen iets terug te pakken door zelf de belastingdienst of de verzekering op te lichten, wat de schade voor de ‘brave borsten’ alleen nog maar groter maakt. Dit afwentelen wordt eufemistisch solidariteit genoemd.

Een van de terreinen waar deze mentaliteit het meest pregnant naar voren komt is dat van de ziektekosten. Het is tegenwoordig een axioma dat een ziekte, blessure, of ongeluk nooit (mede) de schuld van het slachtoffer is en dat die daarom niet ‘bestraft’ mag worden door hem/haar een deel van de medische kosten zelf te laten ophoesten. Onzin natuurlijk. Als een homo zich week in week uit in darkrooms of op parkeerterreinen door onbekende mannen zonder condoom in zijn aars laat naaien en hij raakt besmet met HIV, dan is dat voor 100% zijn eigen schuld. Als een kettingroker jaar in jaar uit pakjes zware shag wegpaft en longemfyseem krijgt, dan is dat voor 100% zijn eigen schuld. Als een aanhanger van een zwartekousenkerk weigert zijn kinderen te laten inenten zodat zij ten prooi vallen aan polio, dan is dat voor 100% zijn eigen schuld. Als een feestvierder met zijn dronken kop achter het stuur van zijn auto stapt, tegen een boom knalt en in een rolstoel belandt, dan is dat voor 100% zijn eigen schuld. Ze zullen daar dan ook de consequenties van moeten aanvaarden.

In dergelijke gevallen ben ik voorstander van het afromen van de inkomsten tot op bijstandsniveau vóór de verzekering ook maar één cent betaalt. Natuurlijk staat het mensen met een risicovolle levensstijl vrij zich onderling tegen de gevolgen ervan te verzekeren (ik denk aan speciale verzekeringen voor bijvoorbeeld promiscue homo’s en fundamentalistische christenen), maar ik ben bang dat de premies dan prohibitief hoog worden. Mensen die door eigen schuld ziek of arbeidsongeschikt worden moeten gekort worden op hun ziekengeld (dat is in sommige CAO’s al mogelijk) en moeten zeker niet in het genot worden gesteld van een royale WAO-uitkering.

Mensen die buiten hun schuld (chronisch) ziek of gehandicapt zijn mogen daarvoor natuurlijk niet financieel extra bestaft worden, maar tegenwoordig is eerder het omgekeerde het geval. De huidige no-claimregeling (waar ik vorig jaar nog een aardig bedrag aan overhield) is volgens sommigen discriminerend voor chronisch zieken en gehandicapten, omdat hun ziektekosten zo hoog zijn dat ze nooit iets terug zullen krijgen. Er is daarom een nieuwe regeling voorgesteld (90 euro korting op de premie, maar een eigen risico van 150 euro) die nadelig is voor mensen die weinig ziektekosten veroorzaken. Aangezien chronisch zieken en gehandicapten het eigen risico vergoed zullen krijgen, dragen zij per saldo minder aan hun medische kosten bij dan gezonden. Bij milieukwesties geldt allang het adagium dat ‘de vervuiler betaalt’, maar bij ziektekosten wordt dus juist het omgekeerde van kracht: de ‘vervuilers’ worden ontzien.

Veel Nederlanders hebben er enkele moeite mee anderen te laten bloeden voor hun hoogstaande principes en verheven idealen. Ook op belastinggebied mogen de financiële gevolgen van de eigen keuzes daarom wel eens wat zwaarder wegen. Mensen die op linkse partijen stemmen zijn onbetwistbaar voorstander van een hogere belastingdruk dan mensen die dat niet doen. Vooral voor degenen met weinig inkomsten is het financieel voordelig om op linkse partijen te stemmen, omdat de royalere uitkeringen en inkomensextraatjes de eventueel zwaardere belastingdruk meer dan compenseren. De rekening eindigt altijd op de mat van degenen met de hogere inkomens, die in meerderheid niet op deze partijen gestemd hebben. Ik vind dan ook dat het principe van 'put your money where your mouth is' op belastinggebied rigoureus moet worden doorgevoerd.

Daarom het volgende voorstel: het belastingtarief moet voortaan niet meer afhankelijk zijn van de hoogte van het inkomen, maar van de partij waarop men stemt. Vóór elke Tweede Kamerverkiezing moeten de financiële gevolgen van het door de verschillende partijen voorgestane beleid minutieus worden doorgerekend (wat in vele gevallen ook al gebeurt als ammunitie voor de verkiezingscampagne). Tevens moet worden bepaald welke 'vlaktaks' de werkenden opgelegd dienen te krijgen om dit beleid te kunnen realiseren. Gedurende de na de verkiezingen volgende regeringsperiode wordt iedereen dan belast volgens het tarief van de partij van zijn of haar keuze. De PvdA-stemmer betaalt dus een hoger tarief dan de VVD-stemmer. Hetzelfde geldt voor de uitkeringen. De bruto-uitkering blijft hetzelfde, maar de SP-stemmer betaalt meer belasting en krijgt dus een lagere netto-uitkering dan de CDA-stemmer. Ik ben benieuwd of de aanhang van de linkse partijen onder de kleinverdieners en uitkeringstrekkers dan nog zo groot is. Voor deze partijen vrees ik dat ook dan zal blijken dat de portemonnee zwaarder weegt dan het principe.

Uiteraard kunnen mensen niet gedwongen worden hun stemgedrag te laten registreren, of naar de stembus te gaan. Bij niet-registratie zullen ze echter het hoogste tarief (het SP-tarief zullen we maar zeggen) moeten betalen. En als welgestelde aanhangers van linkse partijen (zoals Jan Mulder en consorten) menen nog steeds niet genoeg belasting te betalen, dan wil ik best een stichting Solidariteitsfonds Uitzonderlijk Zieligen oprichten waar ze hun giften kwijt kunnen, met mijzelf uiteraard als dikbetaalde directeur.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

zondag, april 22, 2007

Donorcodicil.

In het kader van de zoveelste campagne om het donortekort te verminderen ontvingen talloze Nederlanders onlangs een formulier waarin hun werd verzocht zich als donor te laten registreren. Ik behoorde niet tot die tallozen: ik loop al tientallen jaren met een donorcodicil rond.

Ik ben tegenwoordig blijkbaar een stuk minder menslievend dan vroeger, want ik overweeg serieus mijn toestemming in te trekken. Je kunt namelijk van alles bepalen als je besluit donor te worden: welke organen en weefsels gebruikt mogen worden en aan wie het beslissingsrecht eventueel wordt gedelegeerd. Je kunt echter niet bepalen aan wie je reserveonderdelen gegeven mogen worden en dat ergert mij steeds meer. Medische noodzaak is het enige criterium, dus het kan zijn dat je organen in een moordenaar belanden, terwijl de liefdevolle moeder van een stel kleine kinderen, die er net iets minder slecht aan toe was, later wegens gebrek aan donororganen overlijdt.

Er zijn een heleboel lieden die ik mijn ingewanden niet gun. Ik wil niet dat ze naar criminelen gaan, dus iedereen die veroordeeld is wegens een misdrijf kan er wat mij betreft naar fluiten. Ik wil ook niet dat ze naar mensen gaan die hun eigen organen willens en wetens hebben verwoest, dus alcoholisten mogen mijn lever niet, rokers mijn longen niet, menselijke mastodonten mijn hart niet en drugsverslaafden geen enkel orgaan. En ten slotte wil ik niet dat mijn organen gaan naar mensen die mij haten, dus sloofjes in boerka’s en baardmannen in soepjurken komen als ontvangers niet in aanmerking.

Verder heb ik natuurlijk mijn preferenties: ik zie liever een jongere (die het leven nog voor zich heeft) dan een oudere (die het grotendeels al achter de rug heeft) met de buit aan de haal gaan. Ik heb geen voorkeur voor mannen boven vrouwen, blanken boven gekleurden, of ongelovigen boven gelovigen, maar het is mijn volste recht om dat wel te hebben. Het zijn mijn organen en tot ze verbrand of verrot zijn mag ik bepalen wat er mee gebeurt.

Door de hippocratische eed kan je van artsen niet verwachten dat ze waardevolle medeburgers voorrang geven boven waardeloze, daarom moet een dergelijke beslissing aan de donoren worden overgelaten. Ik ben wel voorstander van reciprociteit: mensen die weigeren hun organen ter beschikking te stellen, hebben wat mij betreft geen recht om getransplanteerd te worden en mensen die uitzonderingen maken, dienen te accepteren dat er ook voor hen een uitzondering wordt gemaakt (voor mij dus geen boevenhart).

vrijdag, februari 23, 2007

Oordelen en vooroordelen.

Vooroordelen.

Een jaar of dertig geleden werkte ik mee aan een onderzoek onder werkgevers, geleid door een later in een andere tak van wetenschap onverwacht succesvolle socioloog. In de eerste fase van het onderzoek liet men twee fictieve sollicitanten met gelijkwaardige kwalificaties (een onmiskenbaar autochtone Nederlander en een Surinamer -getooid met een naam die ervoor bedacht leek zoveel mogelijk negatieve associaties op te roepen) reflecteren op vacatures in Amsterdam en omgeving. Indien de Surinamer niet voor een sollicitatiegesprek werd uitgenodigd, belde hij op om naar de reden te informeren en noteerde hij de gronden voor zijn afwijzing. De werkgevers werden later benaderd met het verzoek zich te laten interviewen over hun personeelsbeleid. Het afnemen van een deel van die interviews was mijn taak.

Met het opstellen van de vragenlijst had ik niets van doen gehad en ik ontdekte al snel een in mijn ogen merkwaardige omissie: de respondenten werden uitgebreid doorgezaagd over hun houding ten opzichte van allochtone sollicitanten, maar er werd nergens gevraagd naar hun ervaringen met allochtone werknemers, terwijl attitude doorgaans in aanzienlijke mate bepaald wordt door ondervinding. Op eigen initiatief heb ik een aantal vragen over dit onderwerp toegevoegd en de antwoorden in de marge van het enquêteformulier bijgeschreven, maar daar werd niets mee gedaan. De onderzoekers waren blijkbaar alleen geïnteresseerd in de eventuele vooroordelen van de onderzochten. Of deze mensen misschien ook een gefundeerd oordeel hadden was irrelevant. Het onderzoek leek daarom in de eerste plaats tot doel te hebben het vooroordeel (Amsterdamse werkgevers discrimineren) van de onderzoekers zelf te bevestigen. Dat ze in hun kortzichtigheid de allochtonen waarmee ze zo begaan waren soms schade toebrachten, drong niet tot hen door. Een van de door mij geïnterviewde werkgevers beklaagde zich er bijvoorbeeld over dat een Surinaamse sollicitant die hij voor een gesprek had uitgenodigd niets meer van zich had laten horen (daarmee zijn mogelijke twijfels over de betrouwbaarheid van Surinaamse werknemers voedsel gevend).

Individuen die leven in kleine, overzichtelijke gemeenschappen (zoals een groep jagers en verzamelaars met hoogstens enkele tientallen leden, of een boerendorpje met een paar honderd inwoners) hebben het voordeel dat ze alle leden van de gemeenschap persoonlijk kennen en hun gedrag daarop af kunnen stemmen. Individuen die leven in grotere eenheden kennen deze luxe niet. In plaats van af te kunnen gaan op hun eigen ervaringen, zullen ze af moeten gaan op de ervaringen van anderen. In plaats van te kunnen vertrouwen op hun oordeel, moeten ze vertrouwen op vooroordelen.

Ieder mens heeft vooroordelen en laat zich daardoor leiden. Mensen die beweren geen vooroordelen te kennen, hebben meestal alleen hun oude vooroordelen tegen meer politiek correcte vooroordelen ingewisseld.


Statistische waarschijnlijkheden.

Een vooroordeel wordt wel eens gedefinieerd als een “op een gebrek aan kennis berustende mening”. Aangezien men de omgang met onbekenden moeilijk uit kan stellen tot men voldoende kennis heeft verzameld, worden mensen zich noodzakelijkerwijs vaak beïnvloed door statistische waarschijnlijkheden. En dat is maar goed ook. De kosten van ongefundeerd vertrouwen zijn meestal namelijk hoger dan de kosten van ongefundeerd wantrouwen. Iemand die in het nachtelijke Amsterdam een groep allochtone hangjongeren niet uit de weg gaat en wordt aangerand of beroofd, krijgt niet alleen te maken met onbegrip en verwijten van de naaste omgeving, maar ook van de politie en de verzekering.

Als men een vreemdeling beter leert kennen, worden statistische waarschijnlijkheden vaak genegeerd, zelfs als dat objectief gezien behoorlijk roekeloos is. Een Nederlandse vrouw die met een moslim trouwt, heeft meer dan 50% kans dat het huwelijk geen lang leven beschoren is. In geval van echtscheiding is de kans dat er bittere conflicten ontstaan over de toewijzing van de kinderen bijna 100%. Die conflicten culmineren niet zelden in de ontvoering van de kinderen naar het land van herkomst van de vader. Bovendien is de kans dat ze door haar partner mishandeld wordt aanzienlijk hoger dan in een relatie met een autochtone man. Blijkbaar hebben al die vrouwen een rotsvast vertrouwen dat dit hen niet zal overkomen.


Stereotypen.

Een vooroordeel kan zich verharden tot een stereotype, een “vaststaand beeld” dat moeilijk te corrigeren is. Hoe onaangenaam ook, in de meeste gevallen zit er een flinke kern van waarheid in een stereotype. In Suriname hebben Creolen de reputatie lui en Hindoestanen de reputatie inhalig te zijn en het kan inderdaad niet ontkend worden dat de doorsnee Hindoestaan harder werkt en meer op de penning is dan de doorsnee Creool. Een dergelijk stereotype is uiteraard heel vervelend voor nijvere en spaarzame Creolen. Men kan echter dikwijls constateren dat mensen die lijden onder ongefundeerde negatieve stereotypen in het denken van de ene groep profiteren van de even ongefundeerde positieve stereotypen die worden onderschreven door een andere groep, zoals bij moslims het geval is.


Discriminatie.

Een vooroordeel kan aanleiding geven tot discriminatie. In feite is discriminatie niets meer dan het maken van onderscheid, maar tegenwoordig wordt het gedefinieerd als het maken van een “ongeoorloofd onderscheid”. Welke vormen van onderscheid ongeoorloofd zijn bepaalt de wet. Relevanter is echter de vraag of het onderscheid onterecht is.

Een Engelse onderzoeker die in de jaren zestig onderzoek deed naar discriminatie bij kamerverhuur in Nederland kwam tot de voor hem verbazingwekkende conclusie dat studenten wel werden gediscrimineerd en negers niet. In dit geval was het onderscheid bepaald niet onterecht: volgens de verhuurders maakten studenten rotzooi en lawaai en liet hun betaalgedrag te wensen over, terwijl negers (behalve vermoedelijk de studenten onder hen) modelhuurders waren. Toentertijd waren de enige negers die men in Nederland aantrof hoog opgeleide en volledig geassimileerde Surinaamse Creolen uit de hogere klassen, die inderdaad een aanwinst voor de samenleving vormden. Na de toestroom van massa's laag opgeleide Creolen en Afrikaanse vluchtelingen werden negers wel degelijk gediscrimineerd bij de kamerverhuur. Dit doet vermoeden dat er aan sommige gevallen van discriminatie wel degelijk rationele overwegingen ten gronde liggen.

De overheid mag volgens de grondwet niet discrimineren. In het verlengde hiervan is het ook privépersonen verboden te discrimineren, zelfs als ze dit op rationele gronden doen. De voorschriften zijn vastgelegd in de Wet Gelijke Behandeling. Dat deze antidiscriminatie-wetgeving absurde consequenties kan hebben, komt het meest prangend tot uiting in de vonnissen van de Commissie Gelijke Behandeling, waar burgers gevallen van vermeende discriminatie aanhangig kunnen maken. Bij bestudering van hun uitspraken dringt zich de vraag op waarom de wetgever sommige vormen van terecht onderscheid ongeoorloofd en sommige vormen van onterecht onderscheid acceptabel vindt.

Het is onvermijdelijk dat verschillende grondrechten (zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst) soms met elkaar in botsing komen. Omdat godsdiensten (met name de islam) zelf stelselmatig discrimineren (tussen man en vrouw, gelovigen en ongelovigen, homoseksuelen en heteroseksuelen) is het evenzeer onvermijdelijk dat de vrijheid van godsdienst en het antidiscriminatiebeginsel soms op zeer gespannen voet met elkaar staan. De CGB, die voornamelijk door deskundigen van linkse signatuur bevolkt wordt, vindt discriminatie door islamieten blijkbaar wel acceptabel en discriminatie van islamieten niet. Voor fundamentalistische christenen heeft men aanmerkelijk minder begrip. Ik kan niet anders dan concluderen dat de islam blijkbaar gelijker is dan andere godsdiensten.

Dit wordt overtuigend bewezen door de uitspraak in de zaak van Mohammed Faizel Ali Enait, een streng gelovige moslim die vrouwen geen hand wil geven, maar die zich niettemin uitstekend geschikt acht voor de functie van klantmanager bij de Rotterdamse Sociale Dienst. De CGB vond zijn afwijzing onterecht omdat er ook “andere respectvolle manieren van begroeten zijn”, waarbij echter geen onderscheid tussen mannen en vrouwen dient te worden gemaakt. Ik mag hopen dat de CGB er nauwlettend op toe gaat zien dat bovengenoemde ‘heer’ (die Nederlanders bij voorkeur aanduidt als Aboriginals) niet stiekem moslimmannen wél een hand geeft.


Conclusie.

Het is niet te vermijden dat mensen zich in de dagelijkse omgang met vreemden in hoge mate laten leiden door vooroordelen. Hoe ‘vreemder’ die vreemden zijn, des te sterker is dit het geval. De kosten van het koesteren van vooroordelen ten aanzien van onbekenden zijn gering en de mogelijke baten groot, zoals iedereen die enigszins streetwise is weet. Er wordt wel beweerd dat elkaar beter leren kennen dé remedie tegen vooroordelen en discriminatie is. Daarbij wordt voorbij gezien aan het feit dat wat je ontdekt mogelijk meer afschrikt dan aantrekt. Voor mij gold in ieder geval dat hoe meer ik over de islam te weten kwam, des te groter mijn afkeer van deze religie werd.

Voor de adepten van de multiculturele samenleving is onwetendheid een zegen en die wordt dan ook fanatiek in stand gehouden.

donderdag, februari 01, 2007

De afwentelcultuur.

Het is best bevredigend om op andermans kosten idealistisch, principieel, of anarchistisch te zijn. Ik vraag me echter het volgende af: zouden bevlogen asieladvocaten nog steeds alle beroepsmogelijkheden uitputten, als de Nederlandse overheid ze niet zo ruimhartig voor hun moeite zou belonen; zouden leden van zwartekousenkerken nog steeds een poliovaccinatie weigeren, als ze de kosten van het onderhoud en de verzorging van poliopatiënten zelf zouden moeten ophoesten; zouden opstandige jongeren het nog steeds zo leuk vinden pyromaantje te spelen, als ze voor iedere cent van de schade op zouden moeten draaien?

Een van de grootste makkes van Nederland is het gemak waarmee mensen de financiële consequenties van hun menslievendheid, levensovertuiging, of wangedrag kunnen afwentelen op ‘het geheel’. Bovenstaande personen, tezamen met liegende asielzoekers, megalomane bedrijfsbestuurders, prutsende ambtenaren, frauderende steuntrekkers, barebackende homo’s en andere lieden die het systeem weten te bespelen, kosten iedere Nederlander jaarlijks honderden euro’s.

De omvang van de financiële aderlating blijft echter in het verborgene. De Nederlander schijnt er de voorkeur aan te geven het niet te weten, opdat het ook niet voelbaar deert. Ik wed dat men zich rot zou schrikken als in elke prijsstelling deze vermijdbare overheadkosten duidelijk tot uitdrukking zouden komen. Als op ieder etiket in het warenhuis zou staan: x% toeslag wegens winkeldiefstal; als het polisblad van de ziektekostenverzekering zou vermelden: y% toeslag wegens hun gezondheid verwoestende verzekerden en sjoemelende medici; als de prijskaartjes van de producten van fabrikant A. zouden opbiechten: z% toeslag wegens malversaties van bestuurders die met een gouden handdruk zijn heengezonden. En als op het belastingbiljet zou prijken hoeveel procent extra belasting het negeren van deze wantoestanden kost. De kreet ‘doe er wat aan’ zou niet van de lucht zijn. Ik heb wel wat ideeën voor de aanpak van de geldverspilling door afwenteling.

(1) De regel 'put your money where your mouth is' consequent in de praktijk brengen. Mensen die vinden dat asielzoekers eindeloos in beroep moeten kunnen gaan, dat illegalen gratis medische zorg moeten krijgen, dat ontwikkelingshulp nog royaler rondgestrooid moet worden, dat cursussen soera's stampen voor allochtonen subsidie verdienen (degenen die op de linkse partijen stemmen dus), wordt een speciale ‘idealismebelasting’ opgelegd (dat zal Jan Mulder c.s. deugd doen). Mensen die dit soort dingen maar onzin vinden, blijven daarvan verschoond. Asieladvocaten die zo vreselijk begaan zijn met het lot van vluchtelingen moeten die in het vervolg maar pro deo verdedigen. Medewerkers van ‘goede doelen’ organisaties, die natuurlijk puur uit idealisme voor hun werkkring gekozen hebben, moeten maar genoegen nemen met het minimumloon.

(2) Speciale 'Hosannaverzekeringen' invoeren ter delging van de ziektekosten van degenen die recht in de leer zijn. Dan mag men alle vaccinaties weigeren, euthanasie afwijzen en comapatiënten tot het einde der tijden in leven houden. Men is natuurlijk wel een stuk duurder uit. Onverlaten die zich een teerlong roken, een cirrose zuipen, een gat in hun hersens snuiven, een SOA neuken, of een hartvervetting vreten en weigeren hun leven te beteren dienen eveneens een fikse opslag op hun ziektekostenpremies te krijgen.

(3) Ook de niet-topcriminelen kaalplukken tot er geen veer meer over is. Heeft captain of industry H. valsheid in geschrifte gepleegd om de koers van de aandelen van zijn bedrijf omhoog te stuwen zodat zijn opties meer waard werden, dan zijn protserige villa, Porsche en andere ping ping afpakken en de opbrengst onder de gedupeerde aandeelhouders verdelen. Heeft Kutmarokkaantje B. een oude man in elkaar getimmerd omdat deze hem scheef aankeek, dan zijn scooter, computer en iPod te gelde maken om het slachtoffer te compenseren.

Ik ben zeer voor vrijheid, maar die moet wel gepaard gaan met verantwoordelijkheid voor de (financiële) gevolgen van de eigen daden.

vrijdag, december 22, 2006

De hokjesgeest moet terug in de fles.

Niet iedereen is even makkelijk in een hokje te stoppen. Voor sommige 'grote geesten' is dat wat moeilijk te vatten.

Wat een genot moet het zijn zo rechtlijnig te kunnen denken als Anders Wellebeeke. Zijn wereldbeeld is zo heerlijk simplistisch. Een eigen visie is taboe. Aangezien HVV een rechtse website is volgens Anders (en ik maar denken dat men er voor de vrije expressie van ideeën is), moet iedereen die daar stukjes publiceert per definitie ook rechts zijn. Als een auteur afwijkt van de door Anders belichaamde correcte rechtse lijn is hij een "rechts watje", een "boos bijstandsmannetje", een "beroepslulligerd die vanachter de gordijnen van de hobbykamer zijn staatsgesubsidieerde kwakkie venijnig over het web uitstort". Tjonge, wat voel ik mij betrapt, maar niet heus.

Op één punt moet ik Anders alvast teleurstellen: ik ben geen bijstandstrekker (al kan ik mijzelf ook niet tot de grootverdieners rekenen). Ook verder ben ik moeilijk in een van Anders' hokjes te plaatsen. Als je tegen de islamisering van Nederland en tegen ongebreidelde immigratie bent, ben je niet automatisch rechts. Als je voor de verzorgingsstaat bent, ben je niet automatisch links. Ik geloof noch in de maakbare samenleving, noch in de tucht van de markt. Ik ben tegen de slachtoffercultuur (rechts) en tegen de hypotheekrenteaftrek (links). Ik ben 'Eurosceptisch' (kenmerkend voor zowel uiterst links als uiterst rechts) en ik heb weinig op met zowel internationale solidariteit (rechts), als internationaal winstbejag (links). Ik ben voor het behoud van Nederlandse waarden, Nederlandse tradities en Nederlandse verworvenheden. Ik geloof dat een kapitalistische samenleving met een sociaal gezicht het grootst mogelijke profijt voor het grootst mogelijke aantal mensen oplevert. Anders Wellebeeke zal wel een kwalijk etiketje voor mijn denkbeelden weten te bedenken, maar ik situeer mijzelf gewoon in het midden van het politieke spectrum.

Hoe ongeloofwaardig ook in Anders' ogen, er zijn best veel mensen die min of meer hetzelfde perspectief hebben. Mensen met dergelijke denkbeelden vinden in Nederland geen passend politiek tehuis en stemmen zowel op uiterst linkse (SP), uiterst rechtse (PVV), als op (christelijke) centrumpartijen (CDA en CU), al naar gelang van wat op het moment suprème het zwaarst telt. Men vindt ze in alle lagen van de maatschappij, van Fortuynistische 'kleine luiden' tot intellectuelen. Een partij die deze bron aan kan boren, gaat een gouden toekomst tegemoet.

Zoals vroeger de dogmatische katholiek makkelijk omsloeg in de dogmatische marxist (in mijn studietijd waren de meest fanatieke studentenactivisten voormalige seminaristen), zo schijnt Anders Wellebeeke de omgekeerde weg te hebben bewandeld. Hij is er niet minder dogmatisch om.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.

donderdag, december 21, 2006

Blote voeten op koud zeil.

Tussen de mensen die (moeten) werken en de mensen die niet (mogen) werken gaapt momenteel een diepe kloof. Die kan een-voudig gedicht worden.

Ik ben niet tegen de verzorgingsstaat. Ik ben alleen tegen misbruik van de verzorgingsstaat door immigranten en asocialen. Deze lieden mogen van mij keihard aangepakt worden. Zo’n Tokkie van nog geen twintig die nimmer gewerkt heeft en dat overduidelijk ook niet van plan is, maar die samen met zijn ook al geen steek uitvoerende vriendinnetje wel een eigen flat heeft, kan bij mij op weinig sympathie rekenen.

Tot degenen die de verzorgingsstaat misbruiken reken ik nadrukkelijk niet de mensen van gevorderde leeftijd die tientallen jaren gewerkt hebben en die buiten hun schuld buiten het arbeidsproces staan. Ondanks het geblaat van ministers en werkgeversbonzen dat ouderen langer moeten doorwerken, hebben ze minder kans dan een sneeuwbal in de hel om weer een fatsoenlijke baan te vinden (ook niet bij de overheid). Toch moeten ze jarenlang de vernedering van zinloze sollicitaties en al even zinloze en bovendien peperdure reïntegratietrajecten ondergaan.

De overheid en de gesubsidieerde sector zijn uitzonderlijke werkgevers aangezien ze geen objectief kwantificeerbare behoefte aan arbeidskrachten hebben. De werkgelegenheid wordt voor een groot deel bepaald door de politieke wil. De situatie in het onderwijs illustreert dit. Van alle ontwikkelde landen geeft Nederland het minst aan onderwijs uit, en dat is te merken. Leraren op middelbare scholen draaien bij een volledige betrekking aanzienlijk meer lesuren dan hun collega’s elders in Europa. Als de overheid om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken zou besluiten het aantal lesuren te verminderen, dan zou de werkgelegenheid explosief stijgen. Het omgekeerde is eveneens het geval: begin jaren 80 werden er onder auspiciën van de PvdA forse bezuinigingen doorgevoerd in het wetenschappelijk onderwijs. Zo werd het aantal begeleidingsuren per student gehalveerd. Opeens bleken vele faculteiten een overschot aan personeel te bezitten. Tegelijkertijd werd de inderdaad riante afvloeiingsregeling aanzienlijk versoberd (de belofte van een royaal wachtgeld maakt een goede indruk op sollicitanten, maar het moet natuurlijk niet zo zijn dat mensen ook daadwerkelijk van de regeling gebruik gaan maken). De duizenden ID-ers die vorig jaar vanuit de schoolgebouwen op de keien belandden deden voor het merendeel klussen die in andere landen in de vorm van een reguliere baan worden verricht (zoals conciërgewerk). Met één pennenstreek schept en vernietigt de overheid arbeidsplaatsen.

Ik ben van mening dat mensen die kunnen werken dat ook inderdaad moeten doen. Ik ben tevens van mening dat mensen die onvrijwillig werkloos zijn niet uitgebuit mogen worden. Mijn voorstel is daarom dat iedereen die werken kan en geen werk heeft de status krijgt van overheidsemployee. Deze operatie is budgetneutraal: werklozen verwerven geen extra inkomsten, het geld dat ze krijgen is alleen geen uitkering meer, maar loon voor verrichte arbeid. Van iedere nieuwe ‘ambtenaar’ wordt nagegaan hoeveel deze gezien leeftijd, opleiding en ervaring in een passende functie zou kunnen verdienen en hoe hoog zijn uitkering is. Dat bepaalt het aantal uren dat de betrokkene moet werken (in een overheidsinstelling, in de gesubsidieerde sector, of in een non-profit organisatie). Het aangeboden werk dient te passen bij leeftijd, opleiding en ervaring en de kandidaat dient inspraak te hebben bij de keuze van de arbeidsplaats. Een werkloos classicus die 2500 euro per maand zou kunnen verdienen en een uitkering heeft van 1500 euro moet in deze opzet drie dagen per week werken (bijvoorbeeld lessen Grieks en Latijn geven op een Volksuniversiteit, of Middeleeuwse geschriften vertalen). Een jongere zonder diploma en zonder arbeidsverleden ontvangt bijna evenveel aan uitkering als hij zou kunnen verdienen en krijgt dan ook een (vrijwel) volledige weektaak, te verrichten op een door de overheid te bepalen plek. Geld dat de samenleving toch al uitgeeft, wordt op deze manier nuttig besteed.

Voor de betrokkenen zijn de voordelen evident. Ze zijn weliswaar een deel van hun vrijheid kwijt, maar ze hoeven zich niet langer te schamen voor hun situatie. Ze zijn gewoon mensen met een parttime baan. Iemand die passend werk krijgt aangeboden mag dit niet weigeren (hoe leuk hij zijn alternatieve baantje ook vindt), maar werklozen worden niet langer verplicht nutteloze sollicitatieactiviteiten te ontplooien: het wordt voortaan aan potentiële werkgevers overgelaten om contact te leggen met de mensen die hen geschikt lijken voor een vacature. De organisaties die van hun diensten profiteren worden verplicht hen voorrang te verlenen bij sollicitaties en hun netwerk van sociale relaties wordt uitgebreid, wat de kans vergroot dat ze weer normaal in het arbeidsproces worden opgenomen.

Natuurlijk zitten er ook nadelen aan dit systeem. Het betreft noodzakelijkerwijs banen die geen flinke investering per arbeidsplek vergen. Ook zal het systeem in eerste instantie heel wat organisatie vergen, maar daarvoor kunnen de CWI’s worden ingeschakeld, wier inspanningen om mensen aan werk te helpen nu nauwelijks zoden aan de dijk zetten. Vakbonden hoeven niet bang te zijn voor verdringing, want de nieuwe medewerkers verdienen evenveel als normale werknemers en iedereen vreet uit dezelfde (staats)ruif. Er blijven natuurlijk altijd hardnekkige werkweigeraars over waarmee niemand iets aan kan vangen. Hun obstinate gedrag moet op passende wijze bestraft worden. Het bedrijfsleven zal niet blij zijn met het feit dat men voortaan geen reservoir aan direct beschikbare en flexibele arbeidskrachten meer heeft en dat men de werkloosheid niet meer kan misbruiken om de lonen te drukken. Het wordt ongetwijfeld een stuk lastiger om kandidaten voor ongeschoolde arbeid te vinden, maar daarmee kan men dan Oost-Europeanen verblijden.

Om laatstgenoemde reden zullen de boven ons gestelden hier dus wel niets voor voelen.

maandag, december 18, 2006

Dat is geen stijl, Joost!

Het zelf van een riant wachtgeld genietende voormalige LPF-Kamerlid Joost Eerdmans vindt dat armoede een keuze is. Er is namelijk werk zat in Nederland.

Ik heb het waarschijnlijk niet helemaal goed begrepen, Joost. Volgens de officiële cijfers zijn er ruim 400.000 werklozen in ons land en slechts 200.000 vacatures. Zelfs al wordt iedere plek opgevuld, dan is nog steeds de helft werkloos. Of moeten ze maar met z'n tweeën één baantje nemen? Vier uur ADV per week is volgens sommige deskundigen al zo'n ramp voor de economie. Moet de rest misschien een eigen bedrijfje beginnen? Dan hebben we volgend jaar gegarandeerd 190.000 nieuwe faillissementen.

En hoeveel van die vacatures betreffen eigenlijk vaste banen waar je ook echt van leven kunt? Als er op een middelbare school in Drachten 8 lesuren economie te vergeven zijn (we zullen er maar even van uitgaan dat het geen ziektevervanging is), moet een werkloze leraar uit Doetinchem dan maar gaan verhuizen, of meer uren in de trein gaan zitten dan hij werkt om die vacature te vervullen?

Werklozen zijn niet bereid te verhuizen voor een baan, wordt er door mensen als jij vaak geklaagd. Dat kan wel kloppen: verhuizen is bepaald geen sinecure in Nederland. Op een huurhuis moet je vaak jaren wachten en voor een koophuis heb je toch echt een vaste betrekking met een fatsoenlijk salaris nodig.

Helaas, het arbeidsethos is niet meer wat de Calvinist graag ziet. We hebben tegenwoordig te maken met de calculerende burger. Laten we eerlijk zijn, Joost: veel werk is allesbehalve aangenaam en als het dan ook nog eens slecht betaald wordt, is de animo begrijpelijkerwijze niet overweldigend. Je zou kunnen stellen dat al dan niet werken soms een keuze is, maar armoede? Wel eens van werkende armen gehoord, Joost? Het barst ervan in het kapitalistische paradijs Amerika. Daar hebben mensen vaak geen andere optie dan voor een paar dollar per uur dag in dag uit te zwoegen -en te hopen dat ze niet ziek worden.

In de verzorgingsstaat is het verschil tussen een uitkering en de beloning voor betaald werk op minimumniveau zo gering (vooral voor mannen met een gezin) dat inderdaad velen niet bereid zijn om daarvoor hun bed uit te komen. Dat noemt men wel eens de armoedeval, maar waarom zou een uitkeringstrekker zich uitsloven als hij door werken toch niet aan de armoede kan ontsnappen? Om de armoedeval te bestrijden kan men twee dingen doen: de uitkeringen verlagen, of laaggekwalificeerde arbeid uit Nederland laten verdwijnen. Mijn voorkeur gaat uit naar het laatste. [Dat betekent tevens dat we geen laaggekwalificeerde arbeidskrachten moeten importeren.]

Een groot deel van de moeilijk te vervullen vacatures betreft werk dat de naam baan niet waardig is. Dat Nederlandse werklozen niet staan te springen om een paar maanden peren te plukken of asperges te steken, kan ik me voorstellen. Dergelijke klusjes zijn niet echt een springplank naar een reguliere baan en een beter leven. Dat is jammer voor de Nederlandse fruittelers en aspergekwekers, maar het voortzetten van een dergelijke onderneming is ook een eigen keuze. Persoonlijk vind ik dat een bedrijfstak die alleen ongeschoold, slecht betaald seizoenswerk creëert in Nederland niet meer thuishoort. We willen toch een kenniseconomie zijn, Joost? Dan kan je niet tegen jongeren zeggen dat ze hard moeten werken voor een waardevol diploma en dat ze als ze uitgestudeerd zijn maar asperges moeten gaan steken.

Die nijvere Polen, die werk doen waar de Nederlanders te belabberd voor zijn, daar wil ik het ook nog even over hebben. Ik zag laatst zo'n Pool op de tv. Het was een jonge econoom, die als ambtenaar in zijn eigen land 200 euro per maand verdiende. In Denemarken kreeg hij voor het poten van stekjes 800 euro per maand. Wat denk je, Joost: als we de doorsnee Nederlandse werkloze een baan aanbieden waarmee hij vier keer zoveel kan verdienen als zijn uitkering, zal hij dan toehappen of niet? Persoonlijk geloof ik dat hij daarvoor zelfs wel drie maanden naar Polen wil gaan. Dan kan hij de rest van het jaar lekker in Nederland op z'n luie reet gaan zitten, zonder door mensen als jij scheef aangekeken te worden.

Ik vind het ook een schande hoor, die bijstandstrekkers die met de auto naar de voedselbank gaan, of van hun uitkeringscenten een tatoeëring laten zetten. Ik denk ook niet dat er mensen op straat liggen te verhongeren als die voedselbanken er niet zouden zijn. Aanbod schept vraag, dat is altijd al zo geweest. Het is echter niet aan jou of aan mij om te bepalen waar mensen hun uitkering aan mogen besteden. Ze moeten alleen zelf de consequenties van hun daden dragen. Dus geen gratis voedselpakketten voor vetkleppen met een auto, geen gratis computers voor lamstralen die roken, geen gratis wasmachines voor proleten met gouden kettingen om hun nek.

Werkonwillige 'gastjes met hagelnieuwe pooierbakken' moeten uiteraard stevig worden aangepakt. Wat mij betreft krijgen lieden onder de 25 die nog nooit gewerkt hebben geen bijstandsuitkering en geen zelfstandige woning meer. Ze blijven maar fijn op de zak van hun ouders teren. Het zou me niets verbazen als het aantal hangjongeren dan drastisch afneemt. Verder mogen van mij alle (halve) buitenlanders die zich op deze gevorderde leeftijd nog steeds niet verdienstelijk gemaakt hebben voor onze samenleving subiet het land uitgetrapt worden. Beroepswerklozen gaan maar straten vegen of Amsterdamse Bosjes planten en zwartwerkers zie ik het liefst in het gevang stenen bikken. Je ziet het, Joost, ook ik ben niet voor het subsidiëren van uitvreters.

Op dit punt aangekomen moet mij toch van het hart dat jij momenteel een van de royaalst gehonoreerde uitvreters van dit land bent. Dus stel ik voor dat je 'je geld zet waar je mond is', zoals de Engelsen zo snedig zeggen. Je wacht niet op het dik betaalde adviesbaantje of leuke commissariaatje dat (ex-)politici elkaar zo graag toeschuiven, je stuurt je wachtgeld terug en je gaat vrolijk aan de slag als alphahulp, in de kassen, of als callcenter agent. Dan heb je pas echt recht van spreken.

Dit artikel is ook te vinden op de website Het Vrije Volk.